woensdag 20 augustus 2008

Veiligheid als nieuw axioma?

Geplaatst onder: Algemeen — John @ 0.28

Alweer een nieuw begin?
Na vijf maanden toch maar weer de draad oppakken. Hopelijk dat ie deze keer niet wéér afbreekt, ook al is het buiten recesperiodes moeilijk tijd vrij te maken om zinvolle dingen aan je log toe te vertrouwen. Losse flodders zit niemand op te wachten en een verslag van de dagelijkse gang van zaken, dat is niet zo mijn stijl.

De vakantie
Dit keer enkele gedachten en obervaties over veiligheid. De aanleiding is onze recente vakantie in Engeland. We hebben daar de helft gelopen van de Coast-to-Coast Walk, dat is het wandelpad van de Ierse Zee naar de Noordzee in Noord-Engeland. We hebben ons beperkt tot het ‘ruige’ deel dat door het Lake District loopt en dat betekende veel klimmen en dalen en veel geglibber en gesop. We hebben dus risico’s genomen, al viel het allemaal wel mee: het regende vrijwel alleen ’s nachts. Dat was puur geluk, want we kwamen door het natste stuk van Groot-Brittannië, waar de jaarlijkse neerslag het vijfvoudige is van die van Nederland. En de vergezichten als het níet miste of regende waren overweldigend!

Veiligheid in Groot-Brittannië
Tijdens zo’n vakantie heb je tijd om via kranten en TV iets mee te krijgen van ter plaatse belangrijke thema’s. Het Verenigd Koninkrijk is al een tijd geobsedeerd door veiligheid. Dat uit zich in het aan kinderen verbieden buiten te spelen (van achter ieder bosje kan een vreemde man met slechte bedoelingen opduiken), groot draagvlak voor het verplicht dragen van helmen voor fietsers en de aanwezigheid van meer dan vier miljoen toezichtcamera’s (CCTV’s) in het land. Dat is bijna één camera per tien inwoners. Gevolg: kinderobesitas is een nog veel groter probleem dan in Nederland, als die helm verplicht wordt stappen nog meer fietsers definitief af (de files nog verder verlengend) en het aantal opgehelderde misdrijven daalt al een tijd, omdat de echte criminelen heel goed weten wat te doen om onzichtbaar of onherkenbaar te zijn voor al die camera’s (als ze al werken).

Bovendien wemelt het in het land van gebods- en verbodsborden en -aanwijzingen, ‘safety assessor’ is een beroep met hoge status. In stations wordt je gewaarschuwd voor het gevaar dat je tussen de trein en het perron zou kunnen vallen, in de koffietent wordt je er op gewezen dat het drinken van hete koffie gevaarlijk kan zijn en nog veel meer van dat soort in onze ogen overbodige of absurde veiligheidsaanwijzingen. En als er dan toch iets gebeurt is niet alleen de wereld te klein, zie de om wraak schreeuwende koppen in de tabloids, maar moet Barbertje ook hangen: er is altijd een schuldige, en het is nooit de persoon die het overkomt. Het bestaan van domme pech wordt niet meer geaccepteerd.

Er is een tegenbeweging, dat wel. Zo schrijft een columnist van The Guardian op 11 augustus: “Als ik de eerste 18 jaar van mijn leven in zo’n gewatteerde cel had moeten doorbrengen zou ik daarna ook gaan snowboarden van de kliffen.” Hij ziet het probleem als niet alleen de verabsolutering van veiligheid, maar ook van onze eigen goddelijkheid. In zijn ogen zien we onszelf steeds meer als het middelpunt van de wereld en kunnen daarom niet meer accepteren dat er wel eens iets mis zou kunnen gaan. Ander voorbeeld: in het noorden van Engeland promoot men tegenwoordig weer het spelen van ‘gevaarlijke’ spelletjes, zoals het klimmen in bomen. Onder toezicht, dat natuurlijk wel.

Helaas, het werkt niet. Kinderen zoeken het onbekende en het spannende op, willen de wereld verkennen en dus nemen ze risico’s, liefst buiten het gezichtsveld van hun cipiers. Vandaar dat - als ze niet buiten mogen spelen - ze het gevaar virtueel opzoeken in (vaak moorddadige) computerspelletjes, zich vol vreten met snoepgoed, of vaker in het ziekenhuis terecht komen omdat ze uit bed vallen dan omdat ze uit een boom vallen. Als ze wat ouder worden storten ze zich op gevaarlijke sporten (bungie jumpen is saai) en doen aan binge-drinking, in goed Nederlands comazuipen. In Australië ís die helm voor fietsers al verplicht. Na de invoering daarvan nam het aantal fietsers met 50% af en het aantal gevallen van hersenletsel na een fietsongeluk met 11%. Fietsen werd dus objectief gevaarlijker. En een mallotige wetenschapper aan een Engelse universiteit heeft zelfs proefondervindelijk vastgesteld dat automobilisten aan gehelmde fietsers minder ruimte laten dan aan fietsers met wapperende haren. Zo bewerkstelligen veiligheidsmaatregelen hun tegendeel.

Leiden en de veiligheid
Wat zegt dit over onze stad, hebben we met dezelfde tendens te maken? Tot mijn spijt is het antwoord: ja. Ook hier is de obsessie met veiligheid, individueel en collectief, sterk toegenomen, ook hier neemt de tolerantie voor het accepteren van risico’s en de kans op domme pech duidelijk af, ook hier moet altijd een schuldige worden gevonden en ligt het nooit aan onszelf.

Natuurlijk moeten excessen bestreden worden, maar als we niets aan de oorzaken willen doen blijft het dweilen met de kraan open. Zie de discussie over comazuipen. Als je je alleen verzet tegen het verschijnsel zelf en de opvoedingscomponent buiten de discussie houdt, met andere woorden als het je alleen moralistisch benadert, kunnen we het probleem niet tot marginale proporties terugbrengen.

Zo ook met toezichtcamera’s. Zou het wel eens een heel foute redenering kunnen zijn dat je door de aanwezigheid van camera’s in ieder geval achteraf vast kunt stellen wie de daders waren van een aanslag? Als we erkennen dat het geen preventieve werking kán hebben tegen terrorisme, waarom zouden we daar onze vrijheid om onbespied aanwezig te zijn in de openbare ruimte voor opofferen? Ik zou me bovendien mínder veilig voelen door de aanwezigheid van camera’s, bijvoorbeeld op óns Stationsplein, omdat het de suggestie wekt dat het onveilig is en we daarom camera’s ophangen. Hoe voorkomen we zo’n dilemma rond veiligheid? Ik zou zeggen: meer veiligheid door zo min mogelijk camera’s. We laten onze open maatschappij toch niet gijzelen door anonieme terroristen of bekende terrorismebestrijders?

dinsdag 25 maart 2008

Bestuur en pers, GroenLinks en D66

Geplaatst onder: Algemeen — John @ 1.36

Waarom almaar geen nieuwe ‘entree’ op mijn log?
De fractievoorzitter van D66 in de Leidse raad, Paul van Meenen, herinnerde me er recent aan dat ik in het afgelopen half jaar slechts twee keer in mijn log heb geschreven. Klopt. Ook al zijn daar vele redenen voor:
• val van het college in oktober,
• ‘verzoek om terughoudendheid’ na mijn eerste log daarna,
• spannende onderhandelingen om tot een nieuw college te komen met een sterk afwijkende politieke samenstelling,
• extreme gevoeligheid over de beslissingen die zijn genomen over de RijnGouwelijn, waardoor ieder woord op een weegschaal wordt gelegd, wat een onomfloerst en openhartig log in de weg staat,
• vol aan de bak in het nieuwe college,
• toenemend tijdbeslag door mantelzorg voor mijn eenennegentigjarige moeder,
twee keer in zes maanden is inderdaad wel erg weinig. Ik stel mijn trouwe lezers, voor zover die er zijn, teleur.

Pasen
Het was een lang Paasweekeinde. Goede Vrijdag was goed voor een ontroerende uitvoering van Bachs Mattheüs Passion in de Pieterskerk - en een uitvoerige pauze voor ‘netwerken’ in de Burgerzaal, waar ik inmiddels ook gewoon aan mee doe. Op Stille Zaterdag bleek - hoe verzinnen we het - coalitieoverleg gepland over parkeren en de RijnGouwelijn. Eerste Paasdag vieren we met een uitvoerige Paasbrunch tot en met borrel met mijn moeder in ons huis; overdag is ze op haar best. Tweede Paasdag gaat dan toch weer deels op aan voorbereiding van het college van morgen, inclusief een ‘werkbezoek’ aan een locatie die op de agenda staat. Voor een wethouder is ‘vrije tijd’ een relatief begrip. De besneeuwde straat voorkomt verlangens naar een weekeinde aan boord van ons schip….

Door dat uitstel zijn er eigenlijk meer dan genoeg onderwerpen om te bespreken. Om te voorkomen dat het een caleidoscoop van gedachten wordt, zal ik mij op twee dingen concentreren: de verhouding bestuur en pers en de verhouding D66 en GroenLinks.


Pers en bestuur

Ik weet het, klachten over de pers zijn al zo oud als de pers zelf, zeker bij bestuurders. Tegelijk is er ook altijd aanleiding voor die kritiek. De ontwikkelingen in de pers hebben het er niet simpeler op gemaakt. Steeds meer zenders op de televisie, dat is het probleem van gisteren. Lokale nieuwsgaring had daar sowieso niet zo veel last van, regionale en lokale televisie hebben nog steeds maar beperkt invloed. Internet is inmiddels wèl een geduchte concurrent voor de lokale krant … in kringen. Bekend is dat de ‘sufferdjes’ vele malen beter gelezen worden door de doorsnee-burger van de stad en dat het bereik van Sleutelstad een fractie daarvan is. Maar de ‘kringen’ rond het bestuur, die kijken wel héél veel naar Sleutelstad en andere lokale nieuwssites, domineren als het zo uitkomt zelfs de discussies op die sites. Daarnaast heeft iedere site recht op zijn (vaak met andere sites gedeelde) habitué(e)s die over ieder onderwerp een mening hebben, maar zelden ergens kennis van.

De ontwikkelingen rond het bestuur hebben het voor de pers natuurlijk óók niet gemakkelijker gemaakt. Het leger persvoorlichters is flink uitgedijd, niet zelden met ex-journalisten, die dus alle ‘trucs’ kennen waartegen bestuurders beschermd moeten worden. Het bereiken van een bestuurder wordt daarmee voor met name lastige journalisten met de dag moeilijker. Ik beken, ik geef mijn mobiele nummer ook niet zo maar weg.

Waarom zou ik me dan als bestuurders toch druk maken om die sites? Omdat ze helaas een belangrijke bron zijn voor de discussies in het politiek-bestuurlijke circuit. Het is nog niet zo ver dat raadsleden alleen maar vragen stellen om maar zoveel mogelijk in deze nieuwe lokale media te komen en niet meer geïnteresseerd zijn in de antwoorden op die vragen - zoals in de Tweede Kamer wel het geval lijkt te zijn. Maar hoe lang blijft dat zo als er geen andere kanalen open blijken te staan om lokale volksvertegenwoordigers hun volk te laten vertegenwoordigen? Bij gebrek aan andere manieren om te weten te komen wat voor onze stadsbewoners belangrijk is, bijvoorbeeld omdat politieke partijen die rol niet goed naar de eisen van de tijd weten in te vullen? Het onbedoelde maar niet minder ongewenste bijeffect is, dat de mensen die de reactierubrieken van die sites vullen een onevenredig grote invloed hebben op de sfeer en de agenda in het politieke circuit. En dat verhoogt weer het gevoel bij anderen niet vertegenwoordigd te worden. Een vicieuze cirkel waar we niet te ver in terecht moeten komen. Het ís nog niet zo ver, maar we kunnen het ons maar beter nú realiseren.

Dan maar zelf de straat op? Maar waar en wanneer? Mensen hebben wel wat beters te doen dan bestuurders en politici te woord te staan. De druk op het werk neemt alleen maar toe, de druk om te gaan werken ook als je nog geen (formeel) werk hebt. De ‘ontspannen’ maatschappij die mijn partij voorstaat lijkt alleen maar verder achter de horizon te verdwijnen. De ‘burger’ (dat is dus niet: de ‘consument van overheidsproducten’) kan daardoor steeds moeilijker naast werknemer (of eigen baas), partner, ouder, mantelzorger, ‘netwerker’ en (natuurlijk ook nog) genieter van het leven zelf meedoen in de ‘republiek’, de publieke en politieke gemeenschap. Dat is zorgelijk als je daar bij optelt dat het onderwijs de laatste decennia vrijwel geen aandacht heeft geschonken aan het intrinsieke belang van dat meedoen. Hier ligt toch een taak voor partijen en bestuurders, om zin en belang over het voetlicht te brengen. Maar hoe?


GroenLinks en D66

Tweede thema: de haat-liefde-verhouding tussen twee links(?)-liberale(?) partijen. Een tijdje heb ik gedacht dat die relatie niet meer relevant was door de intrinsieke overbodigheid van D66. De partij organiseert nog steeds vele gemotiveerde mensen met een behoorlijke dosis verstand, maar bij gebrek aan een voldoende onderscheidend en samenhangend programma groeide de neiging zichzelf te overschreeuwen in ‘radicaliteit van het midden’. Staatshervorming was jarenlang de icoon van de partij en van die hervorming zal voorlopig niets terecht komen: de onmiskenbare hoofdpijnprijs voor regelmatige regeringsdeelname waarbij de partij is vermalen tussen (eigen) verantwoordelijkheidsbesef en machtspolitiek (van anderen). Wat er sindsdien voor in de plaats is gekomen ontbeert iedere consistentie of zelfs relevantie. Het gaat nog steeds erg vaak over procedurele punten, inconsistenties in de redeneringen van anderen (intellectualisme dus) en de vermeende stem des volks - zie de scherpte waarmee het omzichtige optreden van het nieuwe college en mijzelf rond het referendum over de RijnGouwelijn om de stad een beleg van juridische procedures te besparen aan de kaak wordt gesteld. Ze zullen er trots op zijn.

Toch is de relevantie van de verhouding terug. Pechtold is daarbij een belangrijke factor. Hij bespeelt niet alleen de media weer als vanouds (hij had dat in Leiden zelf al bewezen te kunnen, ook al was hij tot serieus besturen niet in staat), hij is ook een moedige en fatsoenlijke tegenstrever van Wilders die toch niet te reduceren is tot wat Wilders verkettert: het multiculturalisme. En het is juist dat waar voor de meeste mensen GroenLinks voor staat. Daardoor raakt de discussie tussen Pechtold en Wilders meer mensen dan die tussen Halsema en Wilders. Die laatste discussie wordt sneller opgevat als een discussie tussen tegenpolen die te weinig gemeenschappelijk hebben om een zinvol debat te voeren. Wilders erkent niet alleen de multiculturaliteit van onze moderne maatschappij niet, hij denkt ook in generaliserende categorieën en niet in individuen en dat is nou juist de kern van het GroenLinkse (gemeenschaps)denken. Nog even los van de andere gevaarlijke kortsluitingen die Wilders uitkraamt over de verschillen tussen Koran en Bijbel.

Tel daarbij op dat D66 - zeker in Leiden - inmiddels de luis in de pels van GroenLinks is, daar waar GroenLinks bestuursverantwoordelijkheid draagt en D66 nadrukkelijk niet, en het beeld doemt op dat niet alleen de VVD als concurrent bij de kiezers last heeft van Verdonk en de PVV van Wilders (en een beetje van Leefbaar Leiden), de PvdA van de SP (en een beetje van Leefbaar Leiden) en het CDA - al is het in mindere mate - van de ChristenUnie, maar ook GroenLinks van D66. Zo ontstaat een tweedeling in de lokale politieke verhoudingen van de vier ‘bestuurders’partijen die er het beste van proberen te maken, ondanks de onderlinge verschillen die natuurlijk niet gering zijn, en de respectieve tegenpolen. Is D66 daarmee de partij die wij als GroenLinks in 2010 moeten zien te verslaan? Wat zijn daarvoor onze argumenten? Daar kom ik - voor zover politieke tactiek dat toestaat - een volgende keer op terug.

John Steegh

woensdag 16 januari 2008

De stad en zijn bewoners

Geplaatst onder: Algemeen — John @ 23.18

Al eerder schreef ik over een tweedeling in Leiden tussen enerzijds die inwoners die op zoek zijn naar (meer) dynamiek in de stad en anderzijds zij die alles vooral willen houden zoals het is. De eerste groep ziet Leiden als de kern van een regio, met alle verantwoordelijkheden en kansen die daaruit voortvloeien. De tweede groep wil dat Leiden een rustig provinciestadje blijft en ziet weinig nadelen aan het ingesloten zijn van de stad als ‘benauwde veste’. Veel discussies in de stad zijn op deze tweedeling terug te voeren.

Een heel duidelijke vertegenwoordiger van de tweede groep is mijn ex-collega Paul Jonas van de Socialistische Partij. Bij zijn afscheid van de gemeenteraad heeft hij het nadrukkelijk gehad over die “kneuterige provinciestad” waar iedereen vooral van af zou moeten blijven. Hij voerde deze basale wens aan als hoofdargument om uit het college te stappen, naast een scherp verwijt aan zijn voormalige collega’s dat zij niet naar de stem des volks zouden luisteren.

Een andere vertegenwoordiger is de secretaris van de STichting Openbaar vervoer Op Maat, STOOM. Deze actiegroep tegen de komst van de RijnGouwelijn – aanvankelijk alleen van de Lammenschansweg, later breder om niet het verwijt te krijgen alleen in de eigen voor- en achtertuin geïnteresseerd te zijn – maakt zich er voor op over de RGL nog jaren procedures te voeren tegen provincie en gemeente die inmiddels allebei alsnog streven naar aanleg van die tram. In de wijkkrant van december voor de Burgemeesters- en Professorenwijk vergelijkt hij de effecten van de lightrail met die van het bombardement op Rotterdam in 1940: “Ik ben geboren in Rotterdam, een stad die in de oorlog platgebombardeerd is en ik wil niet dat Leiden nu door de provinciebestuurders op vergelijkbare wijze vernietigd gaat worden”. Ik beschouw dit niet meer als een overdrijving, maar als een belediging voor de slachtoffers van het Duitse bombardement waarin ongeveer 800 mensen de dood vonden, 80 000 Rotterdammers dakloos werden en tienduizenden woningen in de as werden gelegd. Zet dat eens af tegen de minieme verkleining van de verkeersveiligheid als gevolg van de komst van de RGL (als die al optreedt) en het feit dat er geen enkel huis hoeft te wijken.

Aan de andere kant zijn er ook scherpslijpers. De bekendste is professor Van Raan, ‘woordvoerder’ van de universiteit in alle debatten over de RijnGouwelijn en recent nog prominent aan het woord in het Leidsch Dagblad. Voor hem is iedereen die niet onmiddellijk in katzwijm valt voor de RGL zoals die in het referendum is afgewezen en wel door de Breestraat een primitieve Neanderthaler die alle vooruitgang wenst tegen te houden. Ook onze “meest invloedrijke” Leidenaar, Eelco Brinkman, ziet alleen maar de bouwopdrachten en verwijt de Leidse politiek gebrek aan daadkracht en het zich verschuilen achter referenda. Alsof het een schande is je te laten leiden door een - hoe je het ook wendt of keert - democratische uitspraak van de bevolking.

Het is tussen deze Scylla en Charibdis dat het nieuwe Leidse college een weg moet zien te vinden. En dan heb ik het nog niet eens over de druk die provincie en regio uitoefenen op de stad en zijn bestuur. Het zal de nodige stuurmanskunst vergen van mijzelf als portefeuillehouder, maar zeker ook van het hele college en de coalitie, en eigenlijk van de hele Raad. De stad moet bestuurbaar blijven en de stad moet niet op slot. Als we ons blind blijven staren op de uitkomst van het referendum komen we in ieder geval niet verder. De wereld om ons heen verandert, dus verandert Leiden ook.

Versta me niet mis: lang niet iedereen die bezwaar maakt tegen ontwikkelingen in zijn of haar omgeving kan worden ‘weggezet’ in het hoekje van de kneuterigen. Iedereen heeft het volste recht af te wegen of een verandering in de directe omgeving een vooruitgang is of niet. En vaak slaat de balans dan door naar de negatieve kant, al was het maar omdat de gevolgen vaak niet helemaal duidelijk zijn, of omdat de bestaande situatie bevalt. In die zin is het logisch dat de meeste inwoners van Leiden heel tevreden zijn over het Leiden zoals het nu bestaat en zo weinig mogelijk willen veranderen. Maar tegelijk ziet bijna iedereen dat - zeker als het om bereikbaarheid gaat - de situatie in Leiden geleidelijk verslechtert. Om die ontwikkeling te keren móéten we iets doen. Het is dan zaak de verandering zo door te voeren dat we de strategische richting vast houden, maar bij de manier van uitvoeren zoveel mogelijk rekening houden met de redenen waarom mensen het niet zien zitten. Kleine aanpassingen kunnen dan al helpen.

De hoofdlijn is nu - voor het nieuwe college - dat de RijnGouwelijn er komt, hoe dan ook. Alles wat binnen die hoofdlijn kleine en grotere ergernissen en angsten kan wegnemen zullen we uit de kast moeten trekken om het vertrouwen van de bevolking niet te verliezen.

maandag 12 november 2007

De staat van de stad (5)

Geplaatst onder: Algemeen — John @ 1.27

Crisis
Mijn laatste blog is van begin september. Het is inmiddels november. In de tussentijd is in de Leidse politiek veel gebeurd. Ik zal hier niet uiteenzetten wat, de meeste lezers zullen daar in hoofdlijnen wel van op te hoogte zijn. Het komt er op neer dat - nadat de SP niet bereid bleek een compromis te accepteren over de RijnGouwelijn dat tegemoet zou komen aan de enige voorwaarde die de provincie Zuid-Holland stelt aan de realisatie van hoogwaardig openbaar vervoer in deze regio, namelijk dat er een doorgaande railverbinding komt door de binnenstad van Leiden - eerst de SP de coalitie heeft verlaten en vervolgens de voormalige (VVD, CDA, D66) en de nieuwe (SP) oppositie het rompcollege naar huis heeft gestuurd. Sinds 16 oktober passen de resterende vier wethouders (en de burgemeester) dus op de winkel. Dat mag wel met een korrel zout worden genomen, want op de winkel passen in een 24uurseconomie, dat werkt natuurlijk voor geen meter. Je móet dus wel door en het college handelt daarom ook vele zaken af die door moeten; de stad moet bestuurd worden. Alleen als er zaken langs komen waarmee uiteindelijk de Raad moet instemmen consulteren we die Raad over de vraag of we door kunnen. Meestal wel.

Nieuwe coalitie

Sinds 2 november weten we dat vier partijen bereid zijn een nieuw college van burgemeester en wethouders te vormen: PvdA, VVD, CDA en GroenLinks. Over één onderwerp zijn ze het alvast eens geworden, diezelfde RijnGouwelijn. En op basis van die overeenstemming verwachten ze het ook over de rest van een programma voor de komende 2,5 jaar eens te worden. De gesprekken lopen onder leiding van twee verrassende formateurs: Olav Welling, voormalig fractievoorzitter van D66 in de Leidse Raad en Gerard van Hees, idem van GroenLinks. Is de depolitisering in Leiden al zover voortgeschreden dat zo’n combinatie geen enkele vraag oproept? Merkwaardig na de felheid waarmee ons als rompcollege de wacht werd aangezegd. We hopen maar dat de onderhandelaars inderdaad bereid zijn te zoeken naar de grootste gemene deler van die vier partijen en tevens een sober, maar perspectiefrijk programma neer te leggen waar de fracties met enthousiasme ja tegen kunnen zeggen. Essentieel lijkt dat de vier partijen het allemaal voelen als een nieuw begin, in plaats van een uitbreiding van een rompcollege (van nu alleen nog PvdA en GroenLinks) naar andere partijen. Anders blijven VVD en CDA in de Raad het als een college zien waar ze in zitten en tegelijk niet.

Nog even: een boze herinnering

Een écht nieuw begin dus, waarbij de herinnering aan de deelname van de SP een boze ‘machtmerrie’ begint te worden. De hoofdstroom van de partij blijkt als puntje bij paaltje komt niet in staat of niet bereid bestuurlijke verantwoordelijkheid te nemen. Na het referendum met zijn overduidelijke uitkomst bleek het denken bij de SP in wezen op te houden. De enige concessie waartoe ze (in juli al, daarom heb ik me ook daarna illusies gemaakt) bereid bleken was te accepteren dat als de bussen die gedacht waren te gaan rijden over Hooigracht en Langegracht uitpuilen van passagiers (en alleen vanaf dat moment) nágedacht zou mogen worden over de vervanging van die bussen door trams. Een wel héél restrictieve uitleg van de uitslag van het referendum. Meteen na het referendum heeft de Raad - met instemming van de SP - geconstateerd dat de negatieve uitslag vooral een afwijzing was van het voorgestelde tracé, dus door de Breestraat. Maar dat is bestuurlijke logica. Zou de SP toch vooral de organisatie zijn die de notoire ‘nee’stemmers vertegenwoordigt en organiseert? Als je er vanuit gaat dat bij ieder referendum per definitie 25% ‘neen’ stemt omdat ze per definitie tegen ieder voorstel vanuit het zittende bestuur is (van welke samenstelling ook), dan nog was een meerderheid van de stemmers in Leiden tegen de medewerking van de gemeente aan de RijnGouwelijn. Maar dan ook tegen íedere vorm van railverbinding door de stad? Ik geloof er niets van.
Wat dat betreft is de opstelling van de ChristenUnie voorbeeldig. Ze waren altijd tegen een tracé over de Breestraat en haken nu dus af, omdat het nieuwe college de mogelijkheid van een Breestraattracé niet categorisch afwijst, openhoudt als terugvaloptie voor het geval Hooigracht - Langegracht onmogelijk blijkt. Ook al is afgesproken dat de gemeente ook dan niet meewerkt, de kans dat het daar op uitdraait is voor hun al teveel. Tot een compromis waren ze bereid (daarom zitten ze in het rompcollege), maar niet om terug te komen op dit basale punt in hun verkiezingsbeloften. Lof en duidelijkheid. Ik zal Filip als collega missen!

Waar staat de stad nu?

In de overeenstemming die de vier nieuwe collegepartijen hebben bereikt over de RijnGouwelijn staat, dat de voorkeur uitgaat naar het tracé Hooigracht - Langegracht, tenzij (vrij vertaald) dit tracé technisch onmogelijk blijkt. De toetsingscriteria voor de vergelijking moeten dezer weken worden opgesteld (anders lopen we het risico dat we over een jaar wéér met verhitte koppen tegenover elkaar staan), maar het moet al gek lopen wanneer dat alternatieve tracé niet wint. Ik hoop dat de coalitiepartijen bereid zijn op te houden met millimeteren en voluit gaan voor wat het beste is voor de stad: een railverbinding als ruggengraat voor het openbaar vervoer in deze stad (met alle consequenties vandien voor de rest van het ov), als begin voor een netwerk van hoogwaardig openbaar vervoer, met oplossingen voor andere gerelateerde verkeersvraagstukken, zoals de Ringweg Oost en een forse investering in hoogst noodzakelijke fietsvoorzieningen. Leiden fietsstad nummer één combineert uitstekend met hoogwaardig openbaar vervoer: samen zorgen ze voor een autoluwe, leefbare en aantrekkelijke historische stad.

Naar een nieuwe bestuurscultuur?
Maar daarmee is niet gezegd dat de politieke cultuur in deze stad geholpen is. Daar is meer voor nodig. Voor het moment stel ik slechts enkele vragen, die wellicht wat retorisch van karakter zijn:

    Hoe representatief is de Raad in huidige samenstelling voor de stad? Teveel studenten cum suis die het als een leerschool zien voor verdere (al dan niet politieke) carrière? Te weinig mensen met reële kennis van de stad en zijn inwoners? Teveel mensen met goede ideeën, maar gebaseerd op theoretische bespiegelingen, los van de stad en zijn zorgen? Te weinig mensen met levenservaring en de bescheidenheid die daar bij hoort? En vooral: te weinig mensen die bereid zijn te kijken naar wat goed is voor deze stad voorbij de volgende verkiezingen?
    Zijn er teveel raadsleden die het spel als de essentie zien? “The medium is the message” zei de Canadees Mc Luhan al in de zeventiger jaren van de vorige eeuw, maar slaan we niet volkomen door door het spel voorop te stellen ten koste van de inhoud? Met name D66 is op dit punt exemplarisch. De partij vertegenwoordigt geen enkel inhoudelijk standpunt meer. Toppunt was de opstelling van die splinter bij de behandeling van een bouwplan waarbij de omwonenden niet hun handtekening hadden gezet onder een compromis waarbij het aantal nieuw te bouwen huizen nog verder werd verkleind ten opzichte van wat eerder voor de bouwer (en de gemeente) bottom line was. Geen handtekening (wel mondelinge instemming), dus geen stem van D66. Hoe overbodig kan een volksvertegenwoordiger zich als vertegenwoordiger (dus met mandaat) maken?
    Is het afbreken van het (“op het pluche”) zittende gezelschap een doel op zich geworden? De toekomst zal het uitwijzen. Mag ik hopen dat de borreltafel weer terugkeert naar het café, waar hij thuishoort?
    Waar zitten de grote gevoeligheden van wat tot nu toe oppositie was? Vooral in het verleden (VVD die zich gedumpt voelde in 2006, CDA idem al enkele jaren daarvoor)? Is de bestuursstijl toch niet ‘open’ genoeg geweest, of juist in zijn vermeende openheid tóch arrogant (of té feminien)? Is het alleen een probleem van de PvdA of ook van de ‘bijwagen’ GroenLinks? Of mogen we hopen dat we nu eindelijk van dat soort clichés en sjablonen wegkomen om het belang van de stad te gaan dienen?
    Of zit het hem toch in een verdere verscherping van tegenstellingen - waar de Leidse politiek waarachtig geen noodzaak toe had - als gevolg van de dualisering? Raadsleden beschouwen wethouders niet langer als hun natuurlijke voormannen en -vrouwen en hun vooruitgeschoven posten in het moeilijke bestuurlijk-ambtelijk-politieke krachtenveld? Ik verwijs naar het dramatische aftreden van een CU-wethouder in Twenterand deze week die het dualisme de ‘schuld’ geeft van verdere verruwing van bestuurlijke verhoudingen die helaas blijkt door te werken in maatschappelijke verhoudingen naar bestuurders in het algemeen. Vooralsnog zie ik die doorwerking van verscherping van politieke verhoudingen naar reactie van de bevolking op politici niet; wellicht was Leiden al meer gepolitiseerd? En hoe erg is dat? Ik houd wel van wat politiek debat! Het maakt duidelijk dat het ergens over gaat en dat mensen het niet zonder meer met elkaar eens zijn.


Slot

We gaan de draad van dit log weer oppakken; hopelijk krijg ik de kans dat te doen in mijn huidige functie.

zondag 2 september 2007

Leiden en zijn omgeving

Geplaatst onder: Algemeen — John @ 23.46

Hoe was de vakantie?
Het vakantieseizoen zit er weer op. De huid is gebruind - voor zover de zomer dat toestond, maar zelfs in Noord-Frankrijk lukte dat wonderwel -, de al maanden ongelezen boeken zijn eindelijk gelezen, de conditie is weer bijgespijkerd. We pakken de draad weer op. Een draad die natuurlijk geen moment verbroken is geweest.

Onrust!
Want: moderne technologie betekent, dat je op vakantie - het kan, dus het moet - ieder moment op de hoogte blijft van wat er in Leiden speelt. Niet alleen via www.sleutelstad.nl, maar ook via de eigen mailbox die op de I-mate constant geactualiseerd kan worden. Je hebt wel veel innerlijke ruimte nodig om de onrust te compenseren die dat veroorzaakt, anders laad je je geestelijke batterij nóg niet op, en geen mens kan continu aan het werk zijn. Of: dat kan wel, maar dan verword je tot een machine die zich mechanisch van dossier naar dossier spoedt.

Komkommer
De actualiteit van deze zomer volgend, bleek de grootste ‘komkommer’ de dubbelzinnige reactie te zijn van Verbaan op ons plan om een asielzoekerscentrum te vestigen aan de Besjeslaan. Terecht dat Marc een strafklacht heeft ingediend: je hoeft toch als bestuurder niet iedere kroegtaal die publiek wordt gemaakt over je heen te laten gaan? Benieuwd of Verbaan er nog écht last mee krijgt. Witteman en de andere collega’s die in Leiden waren - en hun gezinnen - hebben er al meer dan genoeg onzekerheid aan opgedaan, laat hij maar eens voelen dat je niet ongestraft alles over anderen kunt roepen, ook al weten we dat hij die stijl al jaren tegen iederéén hanteert!

Maar dan nu: Leiden en zijn omgeving
Jarenlang is de verstandhouding tussen Leiden en de omringende gemeenten moeizaam geweest. De centrumstad wilde zijn rol wel vervullen, maar het wantrouwen was zo groot, dat iedere vinger die naar de kleinere gemeenten werd uitgestoken voor een dolk werd aangezien, iedere uitgestoken hand voor een vuist. Dieptepunt was de discussie over het Leidse voorstel te komen tot één gemeente voor zo ongeveer wat nu Holland-Rijnland is (het samenwerkingsverband van de 12 gemeenten in het noord-westen van Zuid-Holland). Daarna is Leiden in zijn schulp gekropen. Positief effect daarvan is dat nu dat genoemde samenwerkingsverband bestaat en Leiden daarin zijn bescheiden rol meeblaast. Maar juist die bescheidenheid is nú het probleem: waar blijft het Leidse leiderschap?

De Rijn-Gouwelijn
Over de verhouding tussen Leiden en zijn omgeving valt heel veel te zeggen, maar ik spits het nu even toe op verkeersterrein, in het bijzonder het openbaar vervoer. In de vorige zittingsperiode was Leiden dé grote gangmaker achter het regionale openbaar-vervoerproject, de Rijn-Gouwelijn. Regiogemeenten als Katwijk en Noordwijk reageerden aanzienlijk lauwer, en zelfs Rijnwoude en Zoeterwoude waren heel wat sceptischer dan de toenmalige Leidse raad. De verkiezingen van 2006 en natuurlijk nog veel meer het referendum over de Rijn-Gouwelijn van maart van dit jaar hebben de verhoudingen echter volkomen omgekeerd: Zoeterwoude en Rijnwoude maken actief stemming tegen het (inmiddels) Leidse ‘neen’ tegen die lijn.

Je kunt zeggen dat ons college deze omslag zelf heeft veroorzaakt door überhaupt een referendum te organiseren zonder daarin zelf een (positief) standpunt in te nemen. Maar wat hebben we anders gedaan dan de lokale democratie en de opvattingen van de Leidenaren serieus te nemen?

Proof of the pudding
De manier waarop we uit het ontstane dilemma komen (áls het lukt) van de tegenstelling tussen de rigide opstelling van de provincie Zuid-Holland (één doorgaande lightrail-verbinding tussen Gouda en de kust) en het alternatieve plan dat op mijn voorstel door de Leidse raad is aangenomen (een regionaal netwerk van hoogwaardige openbaar vervoer verbindingen, eerst in de vorm van vrijliggende busbanen en bij gebleken succes in de vorm van regionale trams) zal de ultieme test zijn of Leiden zijn centrumfunctie weet waar te maken. De ultieme test of we uit weten te stijgen boven het kleinsteedse denken, waarbij de wereld ophoudt bij de Spanjaardsbrug of het Valkenburgse Meer, bij het Joppe of het Rijn-Vlietkanaal.

Het wordt spannend!
Want de verhouding tussen Leiden (de “benarde veste”) en zijn omgeving is het probleem van die jaloerse omgeving, maar minstens zo veel van het beperkte blikveld van de stad zelf. De kans is groot dat wanneer de stad blijft redeneren vanuit alléén zijn eigen positie een compromis met de provincie onmogelijk wordt en ons dus wordt opgedrongen wat we nou juist niet willen. Is Leiden in staat eieren voor zijn geld te kiezen? Zijn we in staat te accepteren dat de berg niet naar Mohammed komt en dat we dus het compromis moeten bedenken vanuit de positie van de ander, in plaats van te verwachten dat de ander vanuit onze positie kijkt hoe zijn belangen daarin passen? De komende weken zullen het leren!

zondag 15 juli 2007

De staat van de stad (4)

Geplaatst onder: Algemeen — John @ 23.45

Is Leiden rood?

Zo op het einde van een lang bestuursseizoen duurt het wat langer dan ik me had voorgenomen om mijn weblog bij te houden. Iedere drie weken, dat lukt dan even niet. Maar zo aan het begin van het reces - dat wil zeggen de periode dat raad en college niet actief politieke besluiten nemen - is er weer even lucht om na te denken.

Na de groene en blauwe ‘kleur’ voor Leiden wil ik met u mijn ideeën delen over hoe ‘rood’ Leiden is. Later zal ik het nog hebben over paars (katholiek), roze (homo/lesbo) en zwart-wit (etnisch).

Bij ‘rood’ Leiden denken nog veel (vooral oudere) mensen aan socialisme. De huidige situatie van de sociaal-democratie (PvdA) of het ‘socialisme’ (SP?) past daar bij: nostalgie. Aan de ene kant naar de saamhorigheid van de arbeidersbeweging van de jaren ‘50 en ’60 van de vorige eeuw, aan de andere kant naar een egalitarisme dat er eigenlijk nooit geweest is. Hoe ‘rood’ zijn die partijen bovendien? Aan de ‘ostentatieve zelfverrijking’ die toen nog minister-president Kok in de jaren ’90 aan de kaak stelde doet hij inmiddels als commissaris van verschillende beursgenoteerde bedrijven ‘bloosloos’ mee en de huidige partijleider Bos draait om de hete brij heen als hij moet laten weten wat hij er van vindt of aan wil (kan?) doen. Exit geloofwaardigheid van de hoofdstroom van de PvdA. De SP verdedigt inderdaad met meer vuur de positie van de verliezers in deze mondialiserende maatschappij, maar dan wel vaak met het aanspreken van conservatieve onderstromingen die af en toe gevaarlijk dicht bij de zich Partij voor de Vrijheid noemende Wildersclub komen. Gelukkig weet ik bij beide partijen dat het merendeel van de leden en kaders op beide punten anders in de wereld staan dan dit beeld oproept, maar een bezielend ‘rood’ perspectief is er niet uit af te leiden. Voor het goede begrip: mijn eigen partij is ook niet van smetten vrij, met een voormalige partijleider die al tot twee keer toe geld dat ten onrechte gedeclareerd bleek terug heeft moeten storten (Rosenmuller). Ven enige vorm van populisme kunnen we echter niet beticht worden, eerder integendeel!

‘Rood’ Leiden kan echter - ook GroenLinks komt immers deels uit de ‘rode’ stroming voort - tegelijk nog steeds een samenbindende meerderheidskracht in deze stad zijn. De drie ‘rode’ partijen hebben de meerderheid bij de kiezers en dus in de Raad en daarmee een grote verantwoordelijkheid. Alle scepsis terzijde schuivend kunnen we zien dat dat ‘rode’ Leiden de basis is voor een sociaal Leiden (nergens wordt zoveel geld vrijgespeeld voor de échte outsiders die zelfs bij deze snel groeiende economie niet aan de bak komen), een open Leiden (we trotseren als college en partijen de druk om een nieuw asielzoekerscentrum níet bij een nieuwbouwwijk te plaatsen) en een ‘gewone mensen’ Leiden (we geven prioriteit aan het oplossen van waterproblemen in volkswijken, omdat de mensen daar minder alternatieven hebben, om maar één voorbeeld te noemen uit mijn eigen portefeuille). GroenLinks staat daarbinnen voor: paternalisme te voorkomen, geen verantwoordelijkheden van mensen overnemen die ze zelf kunnen dragen en oog houden voor de verantwoordelijkheid voor vólgende generaties (klimaatverandering!).

Wat de uitdaging is voor de komende tijd - en dat geldt al voor de korte termijn - is diezelfde ‘gewone’ Leidenaren waarvoor we iets aan het waterprobleem in de Kooi doen er van te overtuigen dat ze solidair moeten zijn en blijven met de ‘losers’ en de ‘nieuwkomers’. Als we - bij wijze van voorbeeld - de Wildersclub of de inmiddels aanverwante VVD de gelegenheid geven de Kooi uit te laten spelen tegen het asielzoekerscentrum, dan hebben we gefaald. Dat vergt politiek leiderschap. In een zaal staan om kritiek over je heen te laten gaan is stap één, maar we moeten samen bedenken wat we méér kunnen en moeten doen. Daar ga ik deze zomer over nadenken.

zaterdag 23 juni 2007

De staat van de stad (3)

Geplaatst onder: Algemeen — John @ 0.06

Is Leiden blauw (genoeg)?

Het is al weer acht dagen geleden dat Leiden ‘blauw’ zag van het water. Met name de bewoners van de Oude Kooi en sommige delen van de binnenstad zijn nog steeds bezig de ‘blauwe plekken’ in hun huis op orde te brengen. Allemaal het gevolg van een extreme en ook heel plaatselijke regenbui: in nauwelijks drie kwartier is bijna 60 mm water naar beneden gekomen. Gevolg: in veel huizen kwam het water van de straat het huis inlopen en in enkele gevallen kwam het water zelfs vanonder het huis naar binnen. Voor de betrokkenen een ramp en daar moeten we - binnen de grenzen van onze mogelijkheden - als gemeentebestuur iets aan doen. Maar er is ook daar buiten, meer structureel, de vraag: hoe ‘blauw’ moet Leiden zijn of worden?

Geholpen door deze actualiteit kon ik vandaag op een waterconferentie in Gouda met des te meer kracht bepleiten dat we nu echt werk moeten maken van meer ruimte voor water in de stad. Want was is het geval?

  • In de historische binnenstad hebben we - het is al in de zestiende eeuw begonnen - steeds meer watergangen gedempt: de Hooglandsche Kerkgracht als eerste, vervolgens de Hooigracht en veel later de Koepoortsgracht (nu Doezastraat), de Langegracht, het Levendaal en uiteindelijk de Lange Mare (1954). En nog veel meer kleinere grachten. Per saldo heeft de binnenstad bijna de helft van zijn water verloren. Voeg daarbij dat steeds meer binnenruimtes zijn volgebouwd of op een andere manier verhard, en het is duidelijk dat áls het met bakken uit de hemel komt het water geen acceptabele kant meer op kan, en dus onvermijdelijk de huizen in loopt.
  • Vanaf 1900 zijn er grote wijken aan de stad toegevoegd. Veel van die wijken zijn gebouwd zonder serieus rekening te houden met de eisen van het water. In de Kooi liep al het eerste jaar na oplevering (1920) het water bij een flinke regenbui de huizen in. Maar ook elders speelt het: overal waar weinig water is, daken op het riool zijn aangesloten en/of de straat hoger ligt dan de vloer van de huizen is het raak. Kortzichtige zuinigheid, onkunde en/of winstbejag hebben hun rol gespeeld en eisen nu hun tol!
  • Het besef dat we rekening moeten houden met extreme weersomstandigheden is verzwakt door de sirenenzang van ingenieurs die ons jarenlang hebben voorgezongen dat we rustig konden gaan slapen: zij hadden de boel onder controle, het kón niet misgaan. Is het dan raar dat mensen niet begrijpen dat ze geen parketvloer moeten leggen in een huis dat luttele centimeters boven het niveau ligt van de sloot of de drempel van de overstort?

‘Meer blauw in de stad’ is daarom voor veel mensen een nachtmerrie geworden. Toch liggen er ook kansen:

  • een stad met veel open water is aantoonbaar aantrekkelijker om in de wonen en in rond te lopen, economisch en toeristisch,
  • huizen die aan het water liggen zijn tot 30% meer waard dan vergelijkbare huizen zonder water voor de deur,
  • stadsnatuur bestaat bij de gratie van veel water in de stad: meer diversiteit, minder verstoring en meer doorlopende verbindingen (‘ecologische hoofdstructuur’).

Maar: lange termijn perspectieven, daar hebben de bewoners van de Oude Kooi (en ook andere bedreigde bewoners) nú niets aan. Ze kijken met angst en beven naar iedere donkere wolk: nee, hè, niet wéér! Vandaar dat ik gezorgd had dat ik woensdag in het discussieprogramma Westweek van TV-West kon vertellen dat we op heel korte termijn écht iets gaan doen voor het laagste deel van de Oude Kooi: een extra waterafvoer om het van daken en straten afstromende water niet in het gewone vuilwaterriool te laten lopen (dat riool kan meer dan een gewone bui niet aan), maar direct af te laten stromen naar het dichtsbijzijnde open water. Kosten: € 1 miljoen.

Daarmee is, zodra het is uitgevoerd, het ergste leed gelenigd. Maar een echt structurele oplossing is het niet, zolang er huizen zijn die veel lager liggen dan de straat en/of nauwelijks boven het grondwaterpeil gebouwd zijn en/of in een buurt liggen met heel weinig open water. Klimaatverandering is inmiddels een realiteit die heel dicht bij de mensen komt. Het is mijn taak daar iets aan te doen, maar ook om de mensen in de stad duidelijk te maken dat niet alles onder controle te krijgen is, niet alles kan worden opgelost, de natuur af en toe sterker is dan wij. Dat we moeten leren leven met onze beperkingen en het noodlot. Dat is een culturele omslag van jewelste, want ons is jarenlang voorgehouden dat Nederland op het water veroverd is. Nu pas wordt duidelijk dat we onszelf in de nesten werken door te ontkennen dat water zijn plek néémt als wij het die plek niet géven. We zullen moeten leren mee te bewegen met de natuur, in plaats van te denken dat we haar volledig kunnen beheersen.

22 juni 2007

zaterdag 9 juni 2007

De Staat van de Stad (2)

Geplaatst onder: Algemeen — John @ 18.48

Leiden Groen?

Afgelopen donderdagavond mocht ik namens GroenLinks Groene Lintjes uitreiken aan mensen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor groen en milieu hier in de stad. Dat roept de vraag op hoe het eigenlijk staat met het milieu in Leiden. Zijn we een groene stad? Hoe milieubewust is Leiden feitelijk? Weten we als partij, weet ik als GroenLinkse wethouder in het college het groen genoeg ‘op de kaart’ te zetten?

Eerst de stad. Leiden is de dichtstbewoonde stad van Nederland. Met ruim meer dan 5000 mensen per vierkante kilometer hebben we niet meer dan 200 m2 per persoon. Daarvan is volgens sommige statistieken ongeveer 25 m2 groen, volgens andere 50 m2. Betekent dat dat Leiden geen groene stad kán zijn? Dat zie ik anders. Maar het is wel een opgave: als we het duidelijk niet van kwantiteit kunnen hebben zal het in de kwaliteit gevonden moeten worden. Hondepoepveldjes zijn niet interessant, een bos met keurige rijtjes bomen ook niet. Dat heeft twee redenen: de gebruikswaarde van dat soort groen is laag én het stelt ecologisch niks voor. Maar hoe zorg je dan wél voor kwaliteit?

Dat raakt de tweede vraag: hoe milieubewust is Leiden? We kunnen ons er makkelijk vanaf maken door te wijzen op de 12% stemmen die onze partij hier in de stad haalt, bijna het hoogste van Nederland. Maar niet iedere GroenLinkser is ook perse groen in denken en doen. En het heeft natuurlijk allemaal alleen maar zin als ook de meesten van die andere 88% meedoen. De sleutel zit ‘m volgens mij in ‘weten’. Mijn beleid als wethouder milieu is er op gericht - met boekjes, bezoeken, activiteiten, aanspreken van mensen - dat zoveel mogelijk mensen wéten wat er is aan bruikbaar, aantrekkelijk en biodivers groen in de stad. Publicaties als “Leiden lekker wild”, de “Dag van het Park” en via Natuur- en Milieueducatie kinderen spelend laten leren wat het betekent dat we een ecologische hoofdstructuur hebben in de stad, dat helpt. De stad is zo groen als ze zich realiseert het te zijn.

Milieubewust is natuurlijk meer dan bloemetjes en bijtjes. Slim omgaan met afval hoort daar ook bij. Maar dan niet op de ideologische manier: U Zult Scheiden. We komen er langzaam achter dat gescheiden inzameling van afval - als je het op zijn integrale milieueffecten beoordeelt - lang niet altijd gunstig is voor het milieu. Ik mag hopen dat onze partij in staat is los te komen uit de groef van het altijd, overal en alles scheiden, want het werkt soms écht niet, en als je dan toch doorzet verlies je enorm aan geloofwaardigheid. De partij is zo milieubewust als ze zichzelf toestaat te zijn.

We hebben dus best een groene stad, als we het willen zien. En we zijn behoorlijk milieubewust, juist daarom ergeren we ons aan mensen die de grachten als afvalbak gebruiken. Wat draagt GroenLinks daaraan bij, en ikzelf als wethouder?

De convenanten die ik nu enkele heb gesloten met bewoners van straten om een deel van het beheer van de openbare ruimte van de gemeente over te nemen helpen mensen bewuster om te gaan met het groen én het milieu in hun eigen straat. Het initiatief daarvoor is aan mijn wethouderschap toe te schrijven. Op andere terreinen sta ik op de schouders van mijn voorgangers, van welke politieke kleur ook. Rogier van der Sande, mijn VVD-voorganger, heeft voluit steun gegeven aan de stedelijke ecologische hoofdstructuur en de publicaties van “Leiden lekker wild”, ik zet dat met volle kracht voort. Nieuw is dan weer, dat ik het idee van Leiden als klimaatneutrale stad op de agenda heb gezet. Een zaak van lange adem, maar dit college heeft zich voorgenomen zestien jaar in dezelfde samenstelling aan het werk te blijven, dus dat komt wel goed.

En de partij? De uitreiking van Groene Lintjes is een uitstekend initiatief: zet de juiste mensen in het zonnetje, want mensen zijn gevoelig voor waardering. Hulde dus voor de initiatiefnemer, Vincent Kagie, duo-raadslid voor onze partij. Maar er is meer nodig. Desnoods tégen de eigen wethouder in. De partij is zo groen-actief als ze zelf wil zijn. Kom op mensen!

John Steegh
9 juni 2007

Groene Lintjesregen

donderdag 31 mei 2007

De Staat van de Stad

Geplaatst onder: Algemeen — John @ 22.51

Open bestuursstijl

Ons Leidse college - dat nu een jaar en een maand en een week en een dag ‘zit’ - heeft als Leitmotiv een ‘open bestuursstijl’. Dat vullen we onder andere in met een wekelijks spreekuur, regelmatige werkbezoeken op wijkniveau en het voorleggen van voorstellen aan stad en Raad die niet in beton gegoten zijn. En, bevalt het?

Die vraag moet eigenlijk door anderen worden beantwoord: de bewoners van de stad, de gemeenteraad, partners in de omgeving. Toch ook van binnenuit enkele persoonlijke observaties:

1
Niet iedereen waardeert openheid. We hebben in Nederland een lange traditie van vooroverleg, informele contacten en intern beraad, omdat we - zo wordt het althans gelegitimeerd - een land van minderheden zijn, die het toch met elkaar eens moeten zien te worden. Als je dan je kaarten vroegtijdig op tafel legt is plooien en schikken moeilijker. Het kost sommigen moeite te erkennen dat ze compromissen hebben gesloten, water in de wijn hebben gedaan of hun zin niet hebben gekregen. Dat is ‘oude’ politieke cultuur, maar nog heel machtig. En ook niet zonder meer fout: Nederland is er eeuwen mee bestuurd. Maar het past niet in het post-Fortuyn-tijdperk. Met name ondernemers in de stad hebben moeite met dit aspect van ‘openheid’.

2
Sommige critici verwarren openheid met het niet maken van keuzes. Ik pretendeer niet de waarheid in pacht te hebben, maar kies een richting (een autoluwere binnenstad, bijvoorbeeld), geef aan hoe dat zou kunnen, liefst in meerdere scenario’s en vraag dan aan ‘de stad’ of ze zich in de denkrichting kan vinden. Als ik daar een beeld van heb maak ik - natuurlijk met het college - keuzes, wetend dat ik dan kies tussen tegenstrijdige belangen. Nu sta ik voor zo’n keuze: om de binnenstad autoluwer te maken én ruimte te maken voor meer en beter openbaar vervoer tot in het hart van de stad is een nieuwe weg aan de oostkant van het stedelijk gebied onmisbaar: een Ringweg-Oost. Die weg zal sommige mensen benadelen. Ik sta open voor andere oplossingen, maar vind de voordelen van een Ringweg voorlopig groter dan de nadelen. En maak dus keuzes, maar pas ná een ‘interactief planproces’.

3
Niet iedereen maakt in gelijke mate gebruik van de mogelijkheid mij te benaderen of te beïnvloeden. Wat ik zoal tegenkom op informatieavonden, wijkbezoeken en ateliers is, kort door de bocht gezegd, “100% wit en 80% grijs”. Met die mensen is niks mis, ze zijn het actieve deel van de stad en dragen vaak het sociale weefsel in de vorm van wijkcomités, actiegroepen en ook mantelzorg. Maar het effect is wel, dat ik niet weet wat de rest van de stad vindt. De SP probeert dat probleem op te lossen door “de wijk in te gaan”. GroenLinks heeft daar de organisatie niet voor. Ik zoek nog naar andere platforms om ook die ‘zwijgende meerderheid’ te bereiken.

4
Het valt me op dat veel mensen positief reageren op ‘openheid’. Een luisterend oor is blijkbaar belangrijk, ook als men niet zijn zin krijgt. Die volwassenheid in de omgang is voor mij een belangrijke bron van inspiratie. We streven naar een schone, hele en veilige stad. Wat mij betreft mag daar echter het woord ‘beschaafd’ aan worden toegevoegd. Het komt me namelijk net te vaak voor dat ik juist door oudere, hoger opgeleide inwoners van de stad benaderd wordt op zo’n verongelijkte, respectloze manier dat me de lust vergaat iets aan hun problemen te doen. Voor mij is iedereen evenwaardig en ik verwacht die houding omgekeerd ook. En dat krijg ik dus niet altijd. Is dat het onechte kind van de Fortuijn-revolutie? Zeggen wat je denkt wil niet zeggen dat je álles moet zeggen wat je denkt. Een klein beschavingsoffensief lijkt op zijn plaats. Maar hoe?

30 mei 2007

dinsdag 22 mei 2007

Start weblog: één jaar wethouder GroenLinks in Leiden

Geplaatst onder: Algemeen — John @ 21.11

Sinds april 2006 mag ik wethouder zijn namens GroenLinks in een ‘overwegend linkse’ coalitie: PvdA, SP, GroenLinks, ChristenUnie. Voor het eerst in lange jaren gaat GroenLinks in het Leidse college niet meer over sociale zaken of personeel. Dan lijkt het net of we afscheid genomen hebben van de ‘mensen’ en daarvoor in de plaats ons met de ’stenen’ zijn gaan bezig houden. Nu is mijn portefeuille verkeer en milieu (daar valt het beheer van de openbare ruimte onder). Toch is niets minder waar.

Na een jaar merk ik, dat ik meer dan de collega-wethouders te maken heb met álle Leienaren. Iedereen neemt deel aan het verkeer en dus heeft iedereen er een mening over. Iedereen loopt rond in de openbare ruimte en dus … Juist.

Wat betekent dat voor je mogelijkheden resultaten te halen en te laten zien? Het levert beperkingen op. Als iedereen er iets van vindt, moet je ook met iedereen rekening houden. Dat kost tijd. Maar het hoort bij wat we als nieuw college een ‘open bestuursstijl’ hebben genoemd. Spreekuren, wijkbezoeken, overleg met allerlei min of meer georganiseerde mensen in de stad. Na een jaar kun je niet bogen op een extra toeslag voor bijstandsgerechtigden, tien vierkante meter groen per inwoner méér, of een sterk verbeterd openbaar vervoer. Wel op: bereikbaar zijn voor mensen, luisteren voordat je weer begint te praten, meelopen in de buurt. Tussen de mensen staan, en daar heeft het de afgelopen jaren vaak écht aan ontbroken. Zeker GroenLinks, dat toch al steeds meer de naam heeft een partij te zijn van intellectuelen die niet meer weten wat er leeft in de maatschappij, heeft daar groot belang bij.

Zijn er dan alleen van dat soort softe ‘resultaten’ van een jaar John Steegh als GroenLinkse wethouder in Leiden? Dacht ‘t niet. Er is natuurlijk enorm veel tijd en energie gaan zitten in het voorbereiden en organiseren van het referendum over de Rijn-Gouwelijn. Maar wel met succes: nog nooit zo’n hoge opkomst bij een Leids referendum (55%), gedegen en geëmotioneerde debatten over voors en tegens, iedereen had de kans op een gefundeerde mening. Dat is democratie in optima forma en ver voorbij het gebruikelijke populisme bij volksraadplegingen over ingewikkelde onderwerpen. Dat de úitkomst voor GroenLinks (en ook voor mij) teleurstellend was doet daaraan niets af. Het vormt eerder een stimulans om er nu echt de schouders onder te zetten: een bruikbaar, leefbaar en enthousiasmerend alternatief voor die ‘lijn’ ontwerpen, samen met stad en regio, dat is de nieuwe uitdaging. We maken vorderingen!

Is dat alles? De herstart van het oplossen van zo’n ingewikkeld probleem als de kruising Rijnzichtbrug-Haagweg is te klein om je op voor te staan, bovendien zal de toekomst moeten uitwijzen of het helpt. Het ‘redden’ van Stichting Stadsparkeerplan op de Haagweg heeft wél veel goodwill gekweekt. “Voor het eerst een wethouder die iets voor ons dóét” was de reactie van de bekende Leienaar Peter Labruyère. Maar belangrijker vind ik zelf de manier waarop we nu omgaan met het beheer van de openbare ruimte. Met als voorbeeld het convenant dat ik recent namens de gemeente heb gesloten met de bewoners van de Kijfgracht, vlka bij de Zijlpoort.

Natuurlijk: de gemeente is verantwoordelijk voor het beheer van de openbare ruimte. Maar het is duidelijk dat de gemeente dat nooit alleen, en zeker niet tégen de bewoners in, kan realiseren op een manier die tot een aantrekkelijke, leefbare stad en betrokken inwoners leidt. Vandaar afspraken met de mensen in die straat: jullie houden de straat onkruidvrij, wij spuiten geen bestrijdingsmiddelen meer. Jullie beheren de mooie extra plantenbakken, wij geven jullie de materialen om dat te doen. Dit soort vormen van samenwerking van overheid en burgers passen precies bij GroenLinks: eigen verantwoordelijkheid, ruimte voor eigen initiatief in een context die sociaal versterkt. Geen betutteling, geen geheven wijsvingertje, geen populistische prietpraat over “de mensen in de straat”. Gewoon links-liberaal. En met respect.

Is dat genoeg voor één jaar? De toekomst zal het uitwijzen.

John Steegh

« Vorige Pagina