Franciscus van Assisi en de kruistochten

Heer, maak van mij een werktuig van uw vrede.
Laat mij liefde brengen waar haat heerst, vergeving
waar onrecht is, geloof waar twijfel is,
hoop waar wanhoop is, licht waar duisternis is,
vreugde waar droefheid is.
Goddelijke meester, geef dat ik geen troost, begrip en
liefde zoek, maar troost, begrip en liefde geef.
Want we ontvangen als we geven, we worden vergeven
als we zelf vergeven, we worden geboren tot eeuwig
leven als we sterven.

Franciscus van Assisi

Het onderwerp Franciscus van Assisi en de kruistochten zal u waarschijnlijk verbazen. Spelen de kruistochten in het leven van deze wonderbaarlijke man (1181-1226) dan een rol van betekenis? En kan Franciscus ons nu nog iets leren over hoe christenen nader tot moslims kunnen komen? Deze lezing wil allereerst beide vragen positief beantwoorden; sterker nog, ik probeer aan te tonen dat de Franciscaanse spiritualiteit pas ruimte krijgt door elk kruistochtprogramma de rug toe te keren. Toch gaat Franciscus zelf drie of vier keer mee met een kruistocht en nog tijdens zijn leven trekken minderbroeders naar Marokko en Syrië.

Mijn verhaal begint met de ommekeer van Franciscus in 1204 in het dal van Spoleto tijdens de kruistocht van de paus tegen Duitse krijgsheren in Zuid-Italië en Sicilië. Vervolgens wordt de weerklank onderzocht van Franciscus’ reis naar Damiate en zijn godsdienstgesprek met sultan al-Kamil van Egypte in 1219 op de ‘Regula non bullata’ uit 1221. Volgens roomse biografen heeft Franciscus moslimgeleerden uitgedaagd tot discussie en zelfs de sultan min of meer overtuigd van de waarheid van het christelijk geloof. We zullen echter zien dat Franciscus zich ook van de vijfde kruistocht distancieert.

Na de pauze onderzoek ik Franciscus opstelling in de heftige konflikten tussen katholieken en katharen van zijn tijd. Met de kruistocht tegen de Albigenzen die 1209 begon krijgt hij niet direct te maken omdat hem 1217 verboden wordt naar Zuid-Frankrijk te reizen. Wel ontmoet hij regelmatig katharen in Noord- en Midden-Italië. Franciscus valt hen niet aan, maar distanciëert zich wel van hun dualistische leer. Vooral in zijn beroemde ‘zonnelied’ uit 1224 verbroedert hij zich met heel de schepping.

De ommekeer in het dal van Spoleto

Voordat we zien hoe Franciscus zich van zijn eerste kruistocht distanciëert roepen we kort zijn jeugd in herinnering. In 1181 wordt hij in Assisi geboren in de rijke familie van een lakenkoopman. Zijn moeder geeft hem bij zijn doop de naam Giovanni; maar als zijn vader van een handelsreis uit Frankrijk terugkeert noemt die hem Francesco. De oriëntatie op de franse cultuur blijkt later ook uit Franciscus’ enthousiasme voor ‘chansons de geste’. Deze franse ridderromans verheerlijken de moed van jonge strijders, hun belangeloze liefde voor een schone dame en hun vrijgevigheid. Ze vormen een model voor leken van hoge afkomst en oefenen ook op Franciscus een blijvende invloed uit. Het lijkt er zelfs op dat onze jongeman aspiraties heeft om van sociale status te veranderen door een huwelijk met een adelijke jongedame. Dat gebeurt later ook maar dan in spirituele zin door zijn huwelijk met ‘Vrouwe Armoede’.

Als in 1197 keizer Hendrik VI, zoon van Barberossa, tijdens de voorbereiding van een kruistocht plotseling overlijdt, begint de keizerlijke macht in Italië uiteen te vallen. In die tijd komt ook de nieuwe handelsburgerij van Assisi en een deel van de adel in opstand tegen de feodale machthebbers in het hertogdom Spoleto die de kant van de Duitse keizer hebben gekozen. Waarschijnlijk neemt ook Franciscus deel aan de gevechten van het volk tegen de hoge adel en leert hij zo reeds vroeg de verschrikkingen van de oorlog kennen. De stad verovert echter een grote autonomie en ook haar eerste gemeentelijke instellingen. Franciscus stapt nu in de lakenhandel, maar uit het Verhaal van de drie Gezellen blijkt hij vrijgeviger dan zijn vader. Dag en nacht doorkruist hij met zijn makkers de stad en spendeert hij zijn geld aan feesten en banketten. De kleding van de jongeman is opvallend; zo laat hij kostbare en goedkope stoffen aan elkaar naaien (vergelijk moderne merkjeans die opengerafeld worden). Deze vrijgevochten stijl typeert ook zijn latere leven.

De machtstrijd rond Assisi breidt zich uit tot een regionale oorlog tegen haar nabije rivaal, de stad Perugia die onder bescherming staat van de paus. Franciscus heeft inmiddels zowel te paard als te voet leren vechten. In de slag van 1202 bij de brug van Sint Jan over de Tiber delft zijn stad het onderspit. Assisi verliest haar stedelijke autonomie weer en Franciscus raakt langer dan een jaar in gevangenschap. Vanwege zijn hoofse manieren wordt hij in Perugia opgesloten met ridders. Zijn gezondheid gaat in die gevangenis sterk achteruit maar zijn opgewekt humeur lijdt er niet onder; daarom wordt hij door sommige lotgenoten voor gek versleten. We zien hier opnieuw een karaktertrek van Franciscus; in moeilijke omstandigheden en bij grote soberheid (heilige eenvoud) wint zijn vrolijkheid het van zijn somberheid.

De eerste kruistocht waar Franciscus bij betrokken raakt is een merkwaardige campagne tegen duitse ‘warlords’ uit Zuid-Italië die gemene zaak maken met moslims op Sicilië. Paus Innocentius III, de belangrijkste architect van de kerkelijke staat, komt 1199 in botsing met Markward von Anweiler, de keizerlijke stadhouder in Oost- en Zuid-Italië. De verwikkelingen gaan over kind-koning Frederik II, 1194 geboren uit het huwelijk van keizer Hendrik VI met Constanza, dochter van de Normandische koning van Sicilië, Roger II. Als Hendrik VI in 1197 plotseling overlijdt neemt Constanza het regentschap over Zuid-Italië en Sicilië waar voor haar zoon. Een jaar later komt ook zij te sterven; om de Normandische erfenis veilig te stellen benoemt zij in haar testament de paus tot voogd en soezerein over de jonge koning. Dit past perfect in de zelfopvatting van deze ‘plaatsbekleder van Christus’ (voorheen ‘opvolger van Petrus’): “Zoals de maan haar licht ontvangt van de zon, … , zo ook ontvangt de koninklijke autoriteit de pracht van haar waardigheid van het pauselijk gezag.”

Maar Markward von Anweiler werpt zich met een beroep op het testament van Hendrik VI op als de nieuwe regent; hij pretendeert juist de erfenis van de Hohenstaufen veilig te stellen. Met Genuese schepen landt hij op West-Sicilië en met hulp van de vele daar woonachtige moslims wil hij Palermo veroveren. De paus schildert hem af als een tweede Saladin en spreekt over het gevaar dat Sicilië opnieuw in handen van de moslims valt. Als Markward in zijn plannen volhard kan de christenheid de herrovering van Jeruzalem wel vergeten, stelt hij, want elke bevoorading van het Latijnse Midden-Oosten door schepen uit West-Europa wordt dan bedreigd. Vandaar dat de paus aan eenieder die de duitse leider en zijn ongelovige volgelingen bestrijdt dezelfde privileges toekent als aan kruisvaarders naar het Heilig Land. In het kader van deze kruistocht landen nu ook pauselijke troepen, onder leiding van Walter van Brienne, op Sicilië. Die boeken enkele successen, maar Markward weet in de zomer van 1201 de hand op Frederik II te leggen. Met Markwards plotselinge dood in 1202 komt er echter geen einde aan de macht van duitse warlords op Sicilië, want zijn positie wordt geclaimd door andere ‘verdedigers van de koning’. Walter van Brienne blijkt inmiddels meer gericht op de consolidering van zijn heerschappij in Apulië dan op het aanvoeren van pauselijke troepen om de jonge koning in Palermo te bevrijden. Als hij bovendien in 1205 bij verrassing gedood wordt beseft de curie dat zij haar politiek ten opzichte van Sicilië moet herzien; vandaar dat zij nog hetzelfde jaar tot een vergelijk met de ‘warlords’ wil komen. Zo komt er een einde aan deze merkwaardige kruistocht.

Inmiddels treft graaf Gentile van Assisi in 1204 voorbereidingen om naar Apulië te trekken om de pauselijke campagne te versterken. Het Verhaal van de drie Gezellen stelt dat Franciscus meteen het idee opvat hem te vergezellen. In de hoop tot ridder geslagen te worden legt hij zijn rijkste kleren klaar. Hij brandt van verlangen om op deze kruistocht roem te vergaren; hij lijkt wel een held uit een van die ‘chansons de geste’. Vlak voor hij vertrekt heeft hij s’nachts een droom; iemand roept hem daarin bij zijn naam en voert hem mee naar een prachtig paleis waar een schone jongedame woont. De wanden zijn behangen met schitterende schilden en de vertrekken zijn vol met wapens en andere zaken die nodig zijn om ridders uit te rusten. Opgetogen vraagt hij eindelijk van wie dit alles is. Men antwoordt dat dit paleis aan hem en aan zijn ridders toebehoort. Als Franciscus enthousiast wakker wordt twijfelt hij er niet aan dat deze droom hem een uitzonderlijke bestemming voorspelt. Tegen zijn kameraden zegt hij stralend: “Ik weet dat ik een groot vorst zal worden”. En zonder nog langer te talmen vertrekt ook hij naar Apulië. Franciscus heeft er geen moment aan gedacht dat dit droomgezicht hem door God gezonden zou kunnen zijn en dus een heel andere symboliese betekenis bevat. De dag, voorafgaand aan de droom, heeft Franciscus overigens zijn nieuwste en duurste kleren aan een arme ridder geschonken. Het Verhaal van de drie Gezellen veronderstelt zelfs dat deze gift de droom heeft uitgelokt. De jonge koopman koestert immers, overdag alsook s’nachts, één groot project; grootmoedig kleedt hij een verarmde ridder en bewapent hij zijn ridders. Dat wil zeggen; hij treedt niet op als hun gelijke, maar als hun chef.

Franciscus is nu onderweg naar Zuid-Italië, maar hij komt niet ver. In het dal van Spoleto voelt hij zich niet goed; hij besluit wat te rusten. In zijn halfslaap lijkt het alsof iemand hem vraagt waartoe hij op weg gaat. Na zijn antwoord klinkt de stem opnieuw die vraagt; “Wie kan jou het meeste goeds doen ? De meester of de knecht ? - De meester natuurlijk. - Waarom verlaat je dan de meester voor de knecht en de vorst voor diens vazal ? - Wat wil je dat ik doe, Heer ? - Keer terug naar jouw streek en men zal je zeggen wat je te doen staat, want het droomgezicht dat je hebt gehad, dat moet je heel anders begrijpen.” Franciscus ziet inderdaad af van een heldhaftige rol in die kruistocht van de paus en gaat terug naar zijn stad. Met deze ommekeer begint de franciscaanse spiritualiteit. Voortaan wordt hij bezield door slechts één verlangen: de wil van God te onderkennen en diens project met hem te volgen.

U begrijpt dat de bekering van Franciscus niet in één keer zijn beslag krijgt. Terug in Assisi viert hij opnieuw feesten met vrienden en koestert hij de wens een adelijke jongedame te trouwen. Tegelijk wordt zijn vroomheid sterker en komt hij geld tekort bij het geven van aalmoezen. Het is nog een hele weg voordat hij de armoede gaat zien als zijn ideale vriendin. Beslissend voor zijn spirituele ontwikkeling is ook zijn ontmoeting met een lepralijder tijdens een tocht te paard. Als hij de ongelukkige man ziet, stapt hij af en geeft hem geld. Dan kust hij zijn hand en laat zich omhelzen. In zijn testament zal hij later over de leprozerie buiten de stad schrijven: “Door hen te bezoeken veranderde datgene wat me bitter leek in een zoetheid van ziel en lichaam. Daarna … verliet ik de eeuw.” Voor Franciscus is het niet langer de melaatse die stinkt, maar de rijkdom en de eigenroem. Nu verlaat hij ook zijn familie. In een radicale onthechting aan alle bezit begint hij aan zijn navolging van Christus. Er staan hem nog andere visioenen en beproevingen te wachten, maar de essentie is reeds duidelijk: de franciscaanse spiritualiteit begint met de kruistocht de rug toe te keren.

Franciscus in Egypte en zijn orderegel over de saracenen

Paus Innocentius III riep reeds in 1198 op tot een gewapende campagne tegen de perfide saracenen. De vierde kruistocht trok echter niet naar het Heilig Land maar veroverde in 1204 Constantinopel; dat tot 1261 de hoofdstad vormt van een latijns rijk. Deze tocht ontmoette in West-Europa ook felle kritiek, omdat christenen in plaats van moslims bestreden werden. In 1213 doet Innocentius III in zijn Quia maior een oproep tot een nieuwe kruistocht. Deze encycliek schrijft aan heel de kerk voor dat één keer in de maand een processie gehouden moet worden voor de bevrijding van het Heilig Land en dat elke dag mannen en vrouwen zich tijdens de mis nederig ter aarde moeten werpen terwijl de clerus uit psalm 78 zingt: “God, heidenen drongen uw erfdeel binnen …”. Er dienen in de kerken ook offerblokken te worden geplaatst waarin men aalmoezen kan deponeren. Overeenkomstig de grootte van de gift zegt de paus, “in vertrouwen op Gods barmhartigheid en op gezag van de heilige apostelen Petrus en Paulus”, vergeving van zonden toe. Het vierde Lateraans concilie bevestigd in 1215 de uitbreiding van de kruistochtaflaat tot elke christen die de gewapende pelgrimage ondersteunt.

Terwijl Innocentius III zich inspant om de handelsoorlog tussen de havensteden Pisa en Genua bij te leggen zodat hun schepen kunnen zorgen voor transport komt hij in 1216 in Perugia plotseling te overlijden. Opmerkelijk is dat Franciscus zijn opvolger het voorstel doet de kruistocht uit te stellen. Maar Honorius III zet het programma van zijn voorganger tot bevrijding van ‘Christus erfdeel’ voort. Om zoveel mogelijk kruisvaarders te recruteren schort de paus tegelijk de aflaten op die de kerk eerder had verleend aan de deelnemers aan de kruistochten tegen de moren in Spanje (vanaf 1207) en tegen de katharen (vanaf 1209). Verovering van het Heilig Land blijft immers het hoofddoel, want “waar Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God werd vereerd, daar wordt nu Mohammed, de zoon des verderfs, vereerd.” De paus, als plaatsbekleder van Christus, is geroepen om de gouden tijd van het christendom te herstellen. Hier wordt een herovering van Jeruzalem gepresenteerd als navolging van Christus.

Van de pauselijke encycliek en die conciliedecreten klinkt evenwel niets door in de geschriften van Franciscus en zijn broeders. Wel geeft hij gevolg aan de oproep van Honorius III om de eerbied voor de eucharistie te bevorderen; hij is dus duidelijk selectief. Dit is des te opvallender gezien de sociale dwang van de kerk die eenieder die deze kruistocht niet steunt beschuldigt van “zondige ondankbaarheid en misdadige ontrouw” waarvoor “de Koning der koningen hen zal veroordelen.” Franciscus is echter niet gezwicht voor deze morele chantage. Zijn navolging van Christus veronderstelt juist het afzien van wapengebruik en van bekeringscampagnes. Ook onder saracenen opteert hij voor een verblijf in dienstbaarheid. God heeft immers, volgens Franciscus’ Testament, de minderbroeders als groet geopenbaard: “De Heer geve u vrede”.

Uit de Vita prima die Thomas van Celano onmiddelijk na de heiligverklaring van Franciscus in 1228 in opdracht van Rome geschreven heeft blijkt dat Franciscus drie pogingen ondernomen heeft om in islamitische rijken te geraken. De eerste keer probeert hij in de herfst van 1212 per schip naar Syrië te gaan. Mogelijk wordt hij gedreven door het verlangen zijn vrede-boodschap onder de moslims uit te dragen daar waar in datzelfde jaar geëxalteerde bendes van armen en jongeren uit Frankrijk en Duitsland het heilige Land proberen te bereiken op hun geïmproviseerde en tragische ‘kinderkruistochten’. Maar door tegenwind strandt hij op de kust van Dalmatië en dat jaar gaat er geen schip meer naar de Oriënt. Daarop besluit hij naar Italië terug te keren.

De tweede poging speelt na de beslissende slag van de Spaanse kruistocht tegen de moren in 1212 bij Las Navas de Tolosa. Na dit keerpunt in de machtsverhoudingen op het Iberische schiereiland, gaat Franciscus 1213 of 1214 op weg naar de saracenen in Marokko. Hij strandt ditmaal in Spanje, waar een ernstige ziekte hem dwingt zijn project te staken. Maar de derde keer is het raak, juni 1219 vertrekt hij naar Egypte in het spoor van de vijfde kruistocht. Op die tocht van 1217 tot 1221 proberen kruisvaarders uit Hongarije, het Duitse Rijk, de Lage Landen, Engeland, Frankrijk en Italië alsnog het aanvankelijke doel van de vierde te realiseren: de herwinning van Jeruzalem door veroveringen in Egypte. In augustus 1218 heeft de vloot van kruisvaarders een machtige toren op een eiland in de oostelijke Nijlarm verovert en is zij erin geslaagd de enorme ketting over de rivier te doorbreken. Het jaar daarop weten de kruisvaarders het versterkte Damiate te omsingelen.

Franciscus arriveert juli 1219 in het kruisvaarderkamp bij Damiate voor zijn vredesmissie. Tijdens de belegering verlaat hij hun kamp en trekt dwars door de vijandelijke linies naar sultan al-Kamil van Egypte. Aan diens hof vindt dan het beroemde gesprek plaats. Daarvan bezitten we helaas geen verslag en de vroegste indirecte bronnen lopen nogal uiteen. Wel vindt men Franciscus’ overpeizingen over zijn reis naar Egypte samengevat in hoofdstuk 16 van zijn orderegel. Op dat hoofdstuk kom ik dadelijk nog terug. Van belang is hier eerst dat op hetzelfde moment sultan al-Kamil, die inziet dat de val van Damiate nog slechts een kwestie van tijd is, de kruisvaarders het rijk van Jeruzalem aanbiedt in ruil voor hun aftocht uit Egypte. Dat de sultan het serieus meent blijkt uit het feit dat inmiddels de muren van de heilige stad ontmanteld worden. Zijn voorstel wordt mede ingegeven door een dreigende hongersnood in een groot deel van Egypte.

Franciscus wil de leiders van de kruistocht, kardinaal Pelayo Galvao, de pauselijke delegaat, koning Jan van Brienne die over de kust van Palestina heerst, en de grootmeesters van de kruisridderordes overhalen om dit vredesvoorstel van de sultan te accepteren. Op aandrang van Pelayo, die zich meer en meer als leider van de campagne opwerpt, wordt het aanbod van de sultan geweigerd. Franciscus’ eerste biograaf Thomas van Celano schrijft hierover: “Toen hij zekerheid kreeg, dat de kruisvaarders besloten waren slag te leveren, werd de heilige Franciscus door droefheid overmand. En hij zei tot zijn reisgezel (fra Illuminato da Riëti): ‘Raakt men werkelijk slaags - zo heeft God mij laten weten - dan loopt het uit op een nederlaag voor de christenen. Als ik dit nu ook nog zeg, zullen zij mij voor gek verslijten. Zwijg ik echter, dan kan ik het vonnis van mijn geweten niet ontgaan. Wat denk jij dat ik moet doen?’ - Zijn metgezel gaf hem ten antwoord: ‘Vader, laat u niets gelegen liggen aan het oordeel van de mensen. U weet toch: het is de eerste keer niet, en niet vandaag pas, dat men u voor gek verslijt. Ontlast uw geweten: wees eer bevreesd voor God dan voor de mensen’.”

Over het verdere verloop van die vijfde kruistocht kunnen we kort zijn. Na een belegering van 9 maanden wordt op 5 november 1219 Damiate ingenomen. Volgens de kroniek van de bisschop van Akko worden de rijken gebruikt voor een ruil van gevangenen en de anderen als slaven verkocht. De kinderen worden gedoopt maar door verzwakking en ziektes als gevolg van de langdurige belegering sterven er nog zo’n 500. Na de val en de plundering van Damiate biedt sultan al-Kamil de kruisvaarders opnieuw de teruggave van Jeruzalem, Bethlehem, Nazareth en het ‘ware kruis’ aan in ruil voor hun aftocht uit Egypte. Maar Pelayo blijft zich verzetten tegen elk compromis; hij ziet nu zelfs kansen om Caïro te veroveren. 20 maanden lang wacht hij vergeefs op de extra troepen die Frederik II beloofd heeft. Als het kruisleger uiteindelijk maar zelf dieper de Nijldelta intrekt steken de Egyptenaren de dijken door. Het leger is nu afgesneden van voedseltoevoer en versterkingen. Augustus 1221 moeten de kruisvaarders instemmen met een vernederende ruil: een vrije terugtocht tegen hun algehele vertrek uit Egypte.

In het vervolg van dit deel over Franciscus opvattingen over de kruistocht en de islam concentreren wij ons op de eerste negen verzen uit hoofdstuk 16 van zijn Regula non bullata uit 1221. Deze eerste geschreven orderegel, die niet goedgekeurd werd door een pauselijke bul (vandaar de titel), bevat namelijk een korte handleiding: Over de broeders die onder de saracenen en andere ongelovigen gaan. Waarschijnlijk hebben Franciscus en zijn broeders tijdens hun maandenlange bezoek aan Egypte of tijdens hun lange terugreis naar Italië, waarschijnlijk via Palestina en Syrië, nagedacht over deze leidraad voor toekomstige broeders die onder de moslims willen leven. We geven eerst de nederlandse vertaling door J. Hoeberichs van de latijnse tekst van dit deel van de orderegel.

    1 De Heer zegt: “Zie, Ik zend jullie als schapen tussen de wolven.
    2 Wees dus omzichtig als slangen en eenvoudig als duiven.” (Mt 10,16)
    3 Daarom mag iedere broeder, die op goddelijke ingeving onder de saracenen en andere ongelovigen wil gaan, vertrekken met verlof van zijn minister en dienaar.
    4 En de minister zal verlof geven en zich niet verzetten, als hij ziet dat zij geschikt zijn om uitgezonden te worden; want hij zal aan de Heer rekenschap moeten afleggen als hij hierin of in andere zaken zonder onderscheidingsvermogen te werk is gegaan.
    5 De broeders echter die vertrekken, kunnen op twee manieren geestelijk onder hen leven.
    6 De ene manier is dat zij geen twistgesprekken of woordenstrijd aangaan, maar zij zullen om God ondergeschikt zijn aan ieder menselijk schepsel en belijden dat zij christenen zijn.
    7 De andere manier is dat zij, als zij zien dat het de Heer behaagt, het woord van God verkondigen, opdat dezen geloven in de almachtige God, De Vader, de Zoon en de Heilige Geest, in de schepper van alles, in de Zoon, de verlosser en redder, en opdat zij gedoopt worden en christenen worden. Want wie niet herboren is uit water en de Heilige Geest, kan het Rijk Gods niet binnengaan. (vgl. Joh 3,5)
    8 Deze en andere dingen die de Heer behagen kunnen zij hun en anderen zeggen, want de Heer zegt in het evangelie: “Ieder die mij belijdt voor de mensen, hem zal ook ik belijden voor mijn Vader, die in de hemel is,” (Mt 10,32)
    9 en: “Wie zich schaamt over mij en mijn woorden, over hem zal ook de Mensenzoon zich schamen, als hij komt in zijn heerlijkheid en in die van de Vader en van de engelen.” (vgl. Lc 9,26)

De hieronder volgende korte exegese van deze verzen is gebaseerd op het uitvoerige onderzoek door J. Hoeberichs, van 1990 tot 1993 verbonden aan het Franciscaans Studiecentrum in Utrecht. Zijn bezinning op de franciscaanse traditie is in hoge mate bepaald door zijn ervaringen met de bittere armoede en de aanwezigheid van de grote godsdiensten in Pakistan waar hij van 1958 tot 1986 gewerkt heeft. Een dialoog van het christendom met andere godsdiensten acht hij van levensbelang voor een samenwerking die hopelijk leidt tot een bevrijding van de massa’s uit hun mensonterend bestaan. Van de kant van het christendom ligt het obstakel voor een dialoog niet alleen in theologische gronden, maar zeker ook in de economische en technologische vooruitgang van het Westen, waardoor het zich superieur voelt aan andere godsdiensten. Zolang deze houding blijft bestaan kan ook de dialoog met de islamitische wereld zich niet echt doorzetten. Hoeberichs’ boek Franciscus en de Islam (Assen 1994) laat daarentegen zien dat Franciscus van zijn broeders vraagt dat zij omwille van God in onderdanigheid, als mindere broeders, onder de moslims leven. Ondanks af en toe opduikend jaren zeventig jargon (“In feite ontwikkelen Franciscus en zijn broeders met hun evangelieteksten een nieuw model van sociale actie dat het sociale systeem van Assisi in zijn kern aantast.”) wil ik deze studie graag aanbevelen.

Verklaring van vers 1 en 2. Opvallend is dat dit hoofdstuk begint met een evangelietekst over de uitzending der apostelen, maar Franciscus gebruikt daarbij niet de verleden tijd, ‘dixit’, zoals Mattheüs doet, maar de tegenwoordige tijd, ‘dicit’. Het woord dat Jezus sprak tot zijn apostelen is voor Franciscus geen verleden tijd. Integendeel, de Heer spreekt ook nu zijn woord tot de broeders. Terwijl rondom hen kerkelijke gezagsdragers en predikers ‘in naam van God’ oproepen tot de kruistocht tegen de saracenen, besluiten zij daaraan geen gehoor te geven. Voor hen openbaart de Hoogste zelf hoe zij volgens het evangelie moeten leven. Een uitzending “als schapen tussen de wolven” verwijst allereerst naar de vervolging die Franciscus en zijn broeders aan den lijve in deze wereld om Jezus’ naam ondervinden. Kwellingen en zelfs het martelaarschap blijven mogelijk vanwege hun keuze het evangelie radicaal te volgen. Bovendien drukt deze passage goed uit hoe Franciscus en zijn broeders zich voelden, voordat zij naar Egypte gingen. Onder invloed van een stortvloed aan propaganda moet zich toch ook bij hen een beeld gevormd hebben van de moslims als ‘wolven’. De uitzendingstekst is dus bedoeld om het dreigende gevaar dat verbonden is aan dergelijke missies onder ogen te zien. Toch gaan zij als schapen op weg met een boodschap van vrede; wat er ook gebeurt, of zij vervolgd of aanvaard worden, dat ligt in Gods hand.

Als zij het belegeringskamp bij Damiate verlaten worden Franciscus en zijn twee broeders aanvankelijk door egyptische soldaten op wacht gemaltraiteerd, maar later door de sultan vriendelijk en gastvrij ontvangen. In de ontmoeting van Franciscus met al-Kamil blijkt het vijandbeeld vals te zijn; deze ‘wolven’ zijn geen alles verscheurende beesten. Jesaja’s visioen van het Rijk Gods, “De wolf en het lam wonen samen”, komt hier zelfs naderbij. Heel dit hoofdstuk staat zo in het perspectief van de harmonie die een einde maakt aan de heersende vijandigheid. In het tweede vers krijgt de ‘prudentia’ een positieve betekenis voor deze missie, want zij brengt de omzichtigheid van de slang en de eenvoud van de duif samen. Elders heeft zij meestal een negatieve strekking; Franciscus spreekt dan over de prudentia van het vlees; “Wij mogen niet wijs en verstandig, ‘prudentes’, zijn naar het vlees, maar wij moeten juist eenvoudig, nederig en zuiver zijn.” In hun missie moeten de broeders niet tegen de saracenen gaan preken, zoals de bisschop van Akko Jacques de Vitry en, onder zijn invloed, de eerste franciscaner broeders in Syrië gedaan hebben, die dachten te handelen overeenkomstig de Goddelijke waarheid. De broeders moeten juist omzichtig zijn als zij uitzien naar tekenen van Gods wil. Zij mogen alleen hun christelijk geloof verkondigen als zij zien dat het God behaagt (zie verderop) en als zij dit doen met “de eenvoudige en echte vrede van de geest” (RegNB 17,15), met de eenvoud van het evangelie, die wars is van “alle wijsheid van deze wereld” (Lofzang op de deugden 10).

Verklaring van vers 3 en 4. Voordat Franciscus nader ingaat op het leven van de broeders onder de saracenen wil hij in deze verzen eerst een intern probleem regelen. Het gaat hier om de erkenning van de plaats en het gezag van de ministers. Dergelijke figuren die een post van provinciaal opzichter vervullen zijn onontbeerlijk geworden nadat de broederschap in korte tijd een spectaculaire groei heeft doorgemaakt. Op het kapittel van 1221 zijn drieduizend broeders aanwezig en de oude structuur waarbij Franciscus zelf op het Pinksterkapittel broeders aanwijst om uitgezonden te worden kan niet gehandhaafd blijven. Broeders die naar de saracenen willen gaan hoeven niet te wachten tot het volgende kapittel of naar Franciscus te gaan om toestemming te krijgen. Zij kunnen voortaan daarvoor ook bij hun ministers terecht. Tegelijkertijd worden broeders in bescherming genomen tegen een beslissing van die ministers die de ware geest van de broederschap niet voldoende onderscheiden. Kennelijk zijn er ook ministers die “zich meer opwinden over het ambt van overste dan over hun taak van voetenwasser” (Vermaningen 4,3). Franciscus wil de geest van de broederschap maar ook de goddelijke inspiratie van de individuele broeder veilig stellen. Dat is zo’n ernstige zaak dat de minister gemaand wordt dat hij hierover aan de Heer zelf rekenschap moet afleggen. Uiteindelijk kan alleen de Allerhoogste een broeder inspireren tot een vredesmissie onder de saracenen en niet een kerk die wordt gedomineerd door de kruistochtgedachte.

De tekst spreekt overigens over “saracenen en andere ongelovigen”; de moslims worden hier tot ongelovigen bestempelt, wat in lijkt te houden dat zij bekeerd moeten worden. Maar de teneur van hoofdstuk 16 wijst veeleer in een andere richting. De term ‘infideles’ is destijds zo ingeburgerd dat zelfs Franciscus en zijn broeders erin gevangen blijven. Uit dergelijke formuleringen van de Regula non bullata blijkt ook een zekere voorzichtigheid naar de kerk toe, niet zozeer uit angst om voor ketters uitgemaakt te worden maar omdat de vredesmissie van de minderbroeders natuurlijk ook de katholieken omvat. Wanneer Franciscus en enkele broeders in 1219 onder de saracenen gaan dan herhaalt zich wat er gebeurde ten tijde van zijn bekering toen de Heer hem onder de melaatsen bracht. Het is niet langer de melaatse die stinkt, maar de rijkdom en de eigenroem. Dezelfde Heer brengt hem nu onder de saracenen terwijl op enige afstand het kamp ligt van de kruisvaarders die Damiate belegeren. Opnieuw ontdekt Franciscus Gods aanwezigheid, daar waar volgens de kerkelijke propaganda slechts leugens zijn. Hij ziet het geloof van de moslims en is zo diep onder de indruk van hun gebed dat hij de prosternatie zelfs voor de broeders aanbeveelt. Hier opent zich een nieuwe wereld die voor de kruisvaarders gesloten blijft.

Verklaring van vers 5 en 6. Het leven van de broeders onder de saracenen verschilt niet wezenlijk van hun gaan door de wereld. Ook daar gaat het om een aanwezigheid “in de Geest van de Heer”. In de geest van de wereld met wapens bezit verdedigen of het Heilig Land heroveren staat voor Franciscus op gespannen voet met de navolging van Christus. De broeders gaan immers zonder bezit of wapens op weg om vrede te brengen. Daarom moeten zij zich ook niet inlaten met twistgesprekken, zoals kerkelijke autoriteiten en predikers wel doen, die zich uitputten in apologetische redeneringen over het christendom als de enig ware godsdienst en die Mohammed afschilderen als leugenaar en verrader. Deze houding is voor Franciscus geen strategische, maar een principiële aangelegenheid. Zij bezitten geen waarheid die slechts overgedragen dient te worden. De broeders zijn “om God ondergeschikt”, want God is waarlijk nederigheid. Deze waarheid kan niet bewezen worden door redeneringen; zij kan alleen worden geleefd. Twistgesprekken leiden echter tot Godsverduistering.

In dit verband is Franciscus’ reactie op de marteldood van broeder Berardus en diens vier metgezellen in 1220 in Marokko van belang. Ondanks de opgave om de navolging van Christus (voor) te leven en ondanks de adviezen om niet tegen de islam en zijn profeet te preken, grepen zij toch elke kans aan om “het meest verachterlijke bijgeloof” aan te vallen, tot ze gevangengezet en vermoord werden. De Kroniek van broeder Johannes zegt: “Toen de levensbeschrijving en de legende van genoemde broeders martelaren aan de zalige Franciscus werden overgebracht … wees hij de legende af en verbood haar (voor) te lezen: ‘Laat eenieder zich beroemen op zijn eigen lijden en niet op dat van een ander’.” Zo is de eerste missie van de minderbroeders onder de saracenen op niets uitgelopen. Terwijl de kruisvaarders er in naam van God op uittrekken om de perfide saracenen te onderwerpen wil Franciscus dat de broeders zich ‘om God’ aan de moslims onderwerpen en in dienstbaarheid de vrede bevorderen; overigens zonder hun christen-zijn te verheimelijken.

Waarschijnlijk worden Franciscus en zijn metgezellen in hun nederigheid en hun opvatting over het vermijden van woordenstrijd gesterkt door de gruwelen die zij rond de verovering van Damiate hebben gezien. Het aantal doden en gewonden van de belegering loopt reeds in de vele duizenden. Als de kruisvaarders na 9 maanden Damiate binnen trekken treffen zij een stervende stad aan. De doden liggen er op straat, de levenden zijn te zwak om ze te kunnen begraven. Bisschop Jacques de Vitry durft deze slachtoffers aan God toe te schrijven: “De Heer heeft het zwaard uit de schede getrokken en de vijanden gedood, van de grootste tot de kleinste.” Wij hebben reeds gelezen dat Thomas van Celano meldt dat Franciscus zich in het kamp bij Damiate publiekelijk keert tegen de kruisvaarders en hun een mislukking voorspelt. De biograaf verklaart dat hij zich tegen één bepaalde slag uitspreekt maar de woorden die hij citeert geven aan dat de kritiek zich richt op de kruistocht als geheel. Franciscus spreekt namelijk over de oorlog (bellum) en niet over een veldslag (pugna). Zo dringt in de eerste officiële verhalen over Franciscus toch iets door van diens oorspronkelijke opstelling.

Een anonieme kroniek vermeldt bovendien dat toen Franciscus het kwaad en de zonde onder de mensen van het kruisvaarderskamp zag groeien hij daar vandaan ging en naar de broeders in Syrië trok. Vandaar zou hij weer naar zijn land teruggekeerd zijn. Als dit bericht uit de tweede helft van de dertiende eeuw juist is, is hij waarschijnlijk via Jeruzalem en Bethlehem naar Syrië gegaan. Dat deze bezoeken niet vermeld worden zegt op zich niet zoveel. Het bezoeken van deze heilige steden was immers door de paus verboden vanwege het vereiste van belastingbetaling door de pelgrims en hun onderschikking aan de moslim-autoriteiten. In de Decretales van Gregorius IX uit 1234, die deel uitmaken van het kerkelijk recht, wordt nadrukkelijk herhaald dat christenen niet aan moslims onderdanig mogen zijn. De passages over dienstbaarheid en onderschikking van de minderbroeders aan de saracenen zijn ook niet terug te vinden in de orderegel van de minderbroeders die wel door een pauselijke bul is goedgekeurd. Het missiehoofdstuk met zijn nieuwe benaderingswijze van de moslims is bijna totaal verdwenen in de Regula bullata van 1223.

De eerbied voor God, de bron van al het goede (RegNB 17,17) en dus ook van het goede dat onder de saracenen aanwezig is nodigt Franciscus ook uit tot eerbied voor de Koran. Broeder Thomas van Celano schrijft in 1228 dat als Franciscus in een huis of onderweg ergens op de grond een geschreven tekst vindt over God of over de mens, hij die eerbiedig opraapt en die neerlegt op een gewijde of behoorlijke plaats. Op de vraag van een broeder waarom hij zo zorgvuldig omgaat met geschriften van heidenen, waar de naam van de Heer toch niet in vookomt, antwoordt Franciscus: “Mijn zoon, in ieder geval staan er de letters in die de glorierijke naam van God vormen. Bovendien komt al het goede dat er mogelijk in staat niet van de heidenen, maar alleen van God, aan wie al het goede toebehoort.” Dit staat in contrast met de houding van Petrus Venerabilis die ± 1150 de Koran uit het arabisch in het latijn liet vertalen; niet uit eerbied voor dit heilige boek van de moslims, maar om ‘haar verzameling leugens’ te kunnen bestrijden. In zijn eerbied voor de Koran staat Franciscus onder de christenen vrijwel alleen in zijn tijd. Nog tot het tweede Vaticaanse concilie wordt de Koran in de bibliotheek van het Vaticaan opgeborgen in een speciale afdeling, ‘de hel’ genaamd.

Verklaring van vers 7. De tweede manier om geestelijk onder de moslims te leven is bij uitstek bedoeld voor de broeders die ook priester zijn, want die mogen de leer preken en dopen. Deze manier is evenwel secundair ten opzichte van de eerste; het leken-karakter van de franciscaner orde blijft vooropstaan, ook als het gaat om hun aanwezigheid onder de saracenen. Het getuigenis van het leven heeft steeds prioriteit over het getuigenis van het woord. Priester-broeders mogen het christelijk geloof alleen verkondigen als zij zien dat het de Heer behaagt, dat wil zeggen, zij mogen het evangelie niet verkondigen tenzij God hen een teken geeft. De Heer is immers de bezitter van zijn woord en de prediker is allereerst toehoorder. En Franciscus stelt met nadruk dat minderbroeders zich niet mogen beroepen op een theologische opleiding. De kruisvaarders willen eveneens God behagen, maar zij kennen geen geduld en wanen zich in het bezit van de goddelijke waarheid. Deze houding culmineerde in de gezagsaanspraken van de pausen die tot deze kruistocht hebben opgeroepen. De missie van de minderbroeders vormt geen substituut voor de kruistocht, alsof woorden in plaats van wapens het christendom moeten verbreiden. Dit wordt door tijdgenoten nauwelijks gezien en ook bij Franciscus zelf bespeuren we toch enige dubbelheid.

Uit de verhalen over Franciscus’ bezoek aan sultan al-Kamil van Egypte spreekt weinig begrip voor zijn verbod van twistgesprekken; hij wordt veeleer afgeschilderd als een prediker die de sultan voor alles wil overhalen tot het ware geloof. Een Franse kroniekschrijver weet te berichten dat Franciscus de sultan voorstelt om de geleerdste mannen van zijn land bij elkaar te roepen. In hun bijzijn zal Franciscus dan “op grond van argumenten aantonen dat (hun) leer niets is”. Jacques de Vitry en Bonaventura zien in zijn gesprek met de sultan een poging om hem tot het christendom te bekeren. Franciscus zou hierin min of meer geslaagd zijn; bij zijn afscheid zou de sultan namelijk tegen hem gezegd hebben: “Bid voor mij, dat God zich verwaardigt mij die wet en dat geloof te openbaren dat Hem het meest behaagt.” In de ogen van de bisschop en de hagiograaf kan dat natuurlijk alleen het christendom zijn. Bonaventura laat Franciscus zelfs de sultan en diens ‘priesters’ uitdagen tot een godsgericht; Giotto (1267-1337) heeft die legendarische vuurproef twee maal in prachtige fresco’s uitgebeeld. Bovenstaande uitspraak van de sultan aan Franciscus duidt echter op een fundamentele overeenkomst tussen deze moslim en die minderbroeder; beiden geven zich namelijk over aan Gods wil. “In sja’ Allah” zeggen de moslims - “Uw wil geschiedde” zeggen de navolgers van Christus.

Franciscus is steeds bereid zijn verkondiging van het evangelie uit te stellen totdat de Heer hem een teken geeft dat het Hem behaagt. Het grootste deel van vers 7 vormt een korte samenvatting van het christelijk geloof èn verwoordt de traditionele leer van het heil zoals uitgedrukt in de formule “buiten de kerk is er geen heil”. Als volgelingen van de openbaring aan Mohammed staan de moslims dus buiten Gods heilsorde. In dit vers wordt immers geformuleerd dat zij die niet gedoopt en christen worden het rijk Gods niet binnen kunnen gaan. Elders in dezelfde Regula non bullata is Franciscus echter minder categorisch. In hoofdstuk 23 vers 11 spreekt hij namelijk over het “onuitsprekelijk en onnaspeurbaar” mysterie van God die “schepper van alles en redder van allen” is. De genadevolle werking van God overschrijdt dus toch de grenzen van het christendom. Franciscus’ houding inzake de traditionele leer van het ‘extra ecclesiam nulla salus’ is dus ambivalent. Enerzijds blijft hij christen van zijn tijd, anderzijds heeft onze ‘mindere broeder’ duidelijk ervaren dat het mysterie van God niet binnen het christendom kan worden opgesloten, want God is groter dan ons geloof.

Verklaring van vers 8 en 9. Met het aanreiken van de belangrijkste thema’s voor de verkondiging heeft Franciscus geen volledigheid willen betrachten. De broeders kunnen ook andere dingen zeggen; zij bezitten dus een grote vrijheid. Een woordenstrijd om de superioriteit van de christenen tegenover de perfide moslims aan te tonen blijft evenwel taboe. Het criterium dat hun optreden God behaagt houdt onder andere in dat er een sfeer van wederzijdse eerbied en respect moet ontstaan. Voorwaarde daarvoor is dat ook de priester-broeders de eerste wijze van in nederigheid onder de saracenen leven serieus nemen. Door zich zo open te stellen kunnen zij Gods scheppende en genadevolle aanwezigheid onder hen ontdekken. Alleen dan kan de eerbied en respect voor de moslims doorklinken in hun verkondiging. Voor Franciscus zijn moslims immers ook broeders, wel hoopt hij ze nader tot het geheim van Christus te brengen die voor ons zijn leven gegeven en de dood overwonnen heeft; maar eerst en vooral door zijn voorbeeld en dan pas door het woord.

Nu kan het toch gebeuren dat de prediking van de drie-ene God de minderbroeders bloot stelt aan vervolging en zelfs hun leven in gevaar brengt, ondanks alle voorzichtigheid die zij in acht nemen. Door dit gevaar mogen zij zich echter niet af laten schrikken; ook dan moeten zij uitzien naar tekens van de Heer. Is het Zijn wil dat zij die vervolging geduldig ondergaan en zo hun geloof in Jezus Christus belijden, eventueel tot de dood toe? Of geeft Hij hen een teken om naar een andere plaats te gaan om daar in woord en daad te getuigen van het Rijk Gods ? Vergelijk vers 14 uit hetzelfde hoofdstuk: “Als ze u in de ene stad vervolgen, vlucht dan naar een andere” (Mt 10,23). Maar wat er ook gebeurt; zij moeten doorgaan met de navolging van Christus. Als de broeders de gevaren die hen in bepaalde situaties bedreigen weten te te trotseren en zich niet schamen voor Jezus, maar Hem steeds blijven belijden voor de mensen, dan zal Jezus zich ook niet voor hen schamen, maar hen belijden voor zijn Vader. Met deze radicale maar troostende woorden sluit Franciscus het eerste deel van zijn leidraad voor de broeders die onder de saracenen willen gaan af.

Hoofdstuk 16 bevat verder nog een reeks schriftteksten waarmee Franciscus zijn vervolgde broeders bemoedigt, zoals: “Gelukkig die vervolging ondergaan omwille van de gerechtigheid, want hun behoort het rijk der hemelen” (Mt 5,10). Maar nog tijdens zijn leven doen minderbroeders pogingen om met hulp van Rome aan eventuele vervolging door fanatieke moslims te ontkomen. Zo wordt in de pauselijke bul Ex parte vestra van maart 1226, enkele maanden voor Franciscus dood, door Honorius III aan Franciscanen en Dominicanen op hun verzoek toestemming verleend om andere kleren te dragen en baard en haren te laten staan om ongehinderd door de saracenen hun zielzorg uit te kunnen oefenen. Ook krijgen ze verlof om geld te gebruiken hoewel dat tegen de regels van de orde ingaat. Hier begint een nieuw pauselijk programma van zielzorg en missionering voor christenen en moslims in de Maghreb. Met almohaden-kalief al-Mamoen (1227-1232), die Jezus ziet als de enige ‘mahdi’ (islamitische messias), die goede handelscontacten onderhoudt met Genua en steun krijgt van een contigent christelijke soldaten uit Castilië, wordt zelfs overeengekomen dat niet alleen christenen zich mogen bekeren tot de islam maar ook moslims tot het christendom. Een dergelijke afspraak, die ingaat tegen het islamitisch recht, is zeldzaam in de geschiedenis van de betrekkingen tussen de christelijke en de islamitische wereld. De hervatting van de Spaanse kruistocht die culmineert in de verovering van Sevilla in 1248 en de daarop volgende verdrijving van honderduizenden Andalusische moslims maakt echter een einde aan deze missie-politiek van Rome in de Maghreb.

Franciscus doelt op deze pauselijke bul wanneer hij in zijn Testament zijn broeders, waar zij ook zijn, uitdrukkelijk verbiedt dispensatie-documenten bij de curie in Rome aan te vragen. (Test 25). Niet alleen omdat hijzelf en het kapittel van de orde en dus de gelofte van gehoorzaamheid wordt omzeild. Ook omdat het radicale evangelische ideaal, zoals Franciscus dat leeft en verwoort, verwatert door de aanpassingen aan de pauselijke missiepolitiek. Honorius III zegt weliswaar in zijn bul: “Geen offer is God meer aangenaam dan het streven om zielen te winnen”. Maar voor Franciscus wordt hier de overgave met lichaam en ziel aan de wil van God wat daar ook de gevolgen van mogen zijn, verengt tot prediking en zielzorg. Dan staat niet langer een nederige dienstbaarheid voorop, maar krijgen vooral priesters uit de orde dispensaties en privileges van Rome als zij zich voegen in het kerkelijke beleid. De clericalisering van zijn leken-orde, die nog tijdens Franciscus leven begint, dreigt zo de christelijke vredesmissie van de minderbroeders te reduceren tot een bekeringsmissie.

De spiritualiteit die Franciscus met zijn minderbroeders voor wil leven staat tegenover de militante navolging van Christus die geweld tegen moslims juist sacraliseert. Zoals paus Innocentius III die op het Vierde Lateraans concilie in 1215 de kruistocht verheerlijkt als een heilswerk in het verlengde van Christus’ lijden en dood en die de kruisvaarders bestempelt tot “soldaten van Christus” die strijden tegen de “vijanden van Christus’ kruis”. Daarmee staat hij in de lijn van Bernard van Clairveaux die reeds vóór zijn oproep in 1147 tot de mislukte tweede kruistocht in zijn De laude novae militiae … uit ± 1136 voor de tempeliers het nieuwe ideaal van de monnik-soldaat formuleert. Gewone oorlogen die de adel voert komen volgens Bernard voort uit een “irrationele woede, een waanzinnig verlangen naar roem en een onverzadigbare zucht naar land”. Deze strijd is onrechtvaardig, catastrofaal voor de bevolking en gevaarlijk voor de deelnemers. De ridder wordt hier geconfronteerd met een dubbel gevaar: hij dreigt door gedood te worden zijn lichaam, of door te doden zijn ziel te verliezen.

De ‘milites Christi’ hoeven volgens Bernard een dergelijke dood noch zonde te vrezen. Als een ridder een moslim doodt is hij geen mensendoder (homicida) maar doder van het kwade (malicida). Zoals voor de nieuwe monnik Clairvaux de opmaat vormt tot het hemels jeruzalem is ook de nieuwe ridder die sterft in de strijd voor de aardse ‘civitas Domini’, het latijnse rijk van Jeruzalem, verzekerd van “hemelse glorie”. “Als degenen die sterven in de Heer al gezegend zijn, hoeveel temeer zijn zij gezegend die sterven voor de Heer.” De laude novae militiae … legitimeert niet alleen de aanvankelijke taak van de tempeliers om bedevaartgangers te beschermen tegen overvallen. De verdediging van de gewapende pelgrimage culmineert hier in een roep om nieuwe strijders voor de heilige oorlog. Broeder Frans distanciëert zich daarentegen nadrukkelijk van de kruistochten van de ‘heer paus’. In zijn navolging van Christus staat de vredesmissie centraal. Vrede is immers meer dan een wapenstilstand en een politiek pact; zij vormt hét instrument van de openbaring van Gods liefde. En echte vrede, ook tussen moslims en christenen, komt alleen voort uit vergeving en verzoening.

Franciscus en de kerkelijke hierarchie

Voordat we Franciscus opstelling ten aanzien van de katharen bespreken wijzen we kort op zijn ambivalentie ten opzichte van de rooms-katholieke kerk. De nederigheid die Franciscus betoont ten opzichte van de kerkelijke hierarchie kan immers niet verdoezelen dat hij ook hier een bekering noodzakelijk acht. In dit verband zijn vooral zijn contacten met Ugolino de Ostia van belang, want die wordt als invloedrijk kardinaal en later als paus dé beschermheer en dé grafdelver van de vroege franciscaanse beweging, zowel letterlijk als figuurlijk. Door zijn oudoom paus Innocentius III wordt Ugolino in 1220 bevestigd als ‘protector’ van de minderbroeders. Van 1227 tot 1241 staat hijzelf als Gregorius IX aan het hoofd van de kerk van Rome. Als zodanig geeft hij opdracht tot de bouw van de indrukwekkende grafkerk in Assisi als moederkerk van de minderbroeders. Twee jaar na de dood van Franciscus in 1226 canoniseert hij de ‘poverello’; deze snelle heiligverklaring verheft de voorbeeldige dynamiek van Franciscus’ leven en spiritualiteit tot een onbereikbare hemelse sfeer. En de nieuwe orde raakt gevangen in de theologische dogmatiek en het kerkrecht van Roomse Curie. Ik volsta hier met twee voorbeelden die ook van pas komen bij onderstaande uiteenzetting over Franciscus en de katharen.

Jezus leven in armoede zou voor elke christen, en dus ook voor de kerk en haar prelaten, een model en voorbeeld moeten zijn. Met een symbolische handeling poogt Franciscus kardinaal Ugolino te bekeren tot een meer evangelisch leven. Als hij uitgenodigt wordt voor een feestmaal ten huize van Ugolino de Ostia gaat Franciscus de straat op en komst dan aanzetten met broodresten die hij bij elkaar gebedeld heeft. Tijdens de maaltijd verdeelt Franciscus de brokken zwartbrood aan de voorname gasten van de kardinaal. De Legenda Perusina merkt op dat enkele gasten eerbiedig hun hoofddeksel afnemen “uit verering voor de heilige Franciscus”. De daarop volgende zin verraadt echter om welke verering het de bisschop gaat: “Toen verheugde de heer bisschop zich over hun verering, vooral omdat de aalmoes niet uit witbrood bestond”. Met deze quasi-sacramentele handeling wil Franciscus herinneren aan de nederige gestalte die God aanneemt in de incarnatie. Kardinaal Ugolino verheugt zich echter vooral over het zwartbrood omdat zo een verwisseling met het sacrament van de communie uitgesloten is. Na het eten neemt de kardinaal Franciscus mee naar zijn kamer, omhelst hem en zegt: “simpel broedertje, waarom heb jij mij geblameerd door vanuit mijn huis … te gaan bedelen om aalmoezen?” Volgens de Legenda Perusina verklaart Franciscus dat dit bedelen juist wijst op “de hoge adel, de waardigheid en de eer van de hoogste koning, die ofschoon hij de heer van ons allen is, voor ons allen knecht wilde worden en die, hoewel rijk en prachtig in zijn majesteit, arm en geminacht in ons menselijk bestaan kwam”.

Jezus gebiedt de apostelen bij hun uitzending: “Voorziet u niet van goud of zilver of koper in uw gordels, van geen reiszak voor onderweg, geen twee hemden, geen sandalen, geen staf, want de arbeider is zijn eigen voedsel waard” (Mattheüs 10;9). Deze beroemde uitspraak spoort Franciscus en de zijnen aan tot een leven in volstrekte armoede. In beide bewaard gebleven orderegels vindt men deze eis van absulute bezitsloosheid terug. Voor gevallen van nood en ziekte verwijst de Regula bullata naar de solidariteit van de broeders. Dit ideaal van leven in armoede wordt gekonkretiseerd door het verbod op het bouwen van grote kerken en dito huizen en door een absoluut geldverbod. Goud is het slijk der aarde; de waarde van geld wordt door Franciscus zelfs op een lijn gesteld met die van stront. Het bijzondere van deze franciscaanse armoede is dat ze niet alleen elke minderbroeder afzonderlijk betreft, maar ook geldt voor de gemeenschap als geheel. Voor twijfelaars binnen de groeiende orde èn voor Rome vormt vooral deze kollektieve armoede een steen des aanstoots. De franciscanen pretenderen immers met hun bezitsloosheid een levende vorm van het Evangelie zelf te zijn. Daar komt bij dat Franciscus beweert dat dit leven in radicale armoede hem door God is geöpenbaard. Ondanks de nederigheid ten aanzien van de kerkelijke hierarchie en de gehoorzaamheid aan de Curie blijkt hij in centrale kwesties geen behoefte te hebben aan een bemiddelende kerkelijke instantie.

De armoede van de minderbroeders staat bovendien in scherp contrast met de rijkdom en de machtsaanspraken van de roomse kerk. Hun radicale regel wil ondubbelzinnig zijn; een nadere uitleg kan alleen maar uitlopen op een verzachting van het oorspronkelijke gebod. Vandaar dat Franciscus in zijn Testament elk kommentaar bij de regel verbiedt. En dat is precies de reden waarom Ugolino, nadat hij paus is geworden, in zijn bul Quo elongati dit Testament buiten werking stelt. De paus beweert dat Franciscus zijn boekje te buiten is gegaan door een nieuwe bepaling op te nemen omtrent de orderegel. Kerkrechtelijk kan dat alleen met instemming van de ministers van de orde. Franciscus kan ook zijn opvolger als generaalminister niet verplichten tot bindende regels omdat die opvolger dezelfde canonieke status heeft als hijzelf. Gregorius IX wijst hier op de oude rechtsregel “non habet imperium par in parem” waarmee pausen in de middeleeuwen veelvuldig ‘voor eeuwig’ genomen besluiten van hun voorgangers annuleren.

Bovendien komt de paus met zijn onderscheid tussen geboden en raadgevingen van het Evangelie tegemoet aan de twijfelaars binnen de orde. Die lijken in gewetensnood te verkeren omdat ze niet voldoen aan de navolging van Christus om in armoede en nederig zich voor anderen op te offeren. De paus bevestigt weliswaar de bezitsloosheid van de orde maar door zijn onderscheid tussen vruchtgebruik en bezit wordt de basis gelegd voor de opvatting dat hun roerende en onroerende goederen voortaan eigendom worden van de roomse kerk. En om geldkwesties te omzeilen kunnen de minderbroeders voortaan gebruik maken van een nuntius die aalmoezen in ontvangst neemt en voor hen betalingsverplichtingen regelt. Gregorius IX bestempelt de evangelische levenswijze van Franciscus dus als utopisch en onuitvoerbaar. Wat kardinaal Ugolino tijdens diens leven als beschermheer van de orde niet is gelukt, namelijk de nivellering van de franciscaanse spiritualiteit en de inkadering van de beweging binnen het morele en juridiese systeem van de kerk, wil Gregorius IX als overste wetgever en scheidsrechter over het geweten alsnog realiseren.

Reeds bij de eerste nadere kennismaking tussen Franciscus en Ugolino de Ostia in de zomer van 1217 komt het tot een conflict omdat de kardinaal zich tegenover het plan van Franciscus stelt om naar de andere kant van de bergen te trekken. Franciscus had namelijk, na overleg met zijn broeders en nadat hij in gebed de wil van God overwogen heeft, Frankrijk uitgekozen als toekomstig werkterrein voor zichzelf. Ugolino verbied hij hem echter verder te reizen; hij wijst op de intriges aan het pauselijk hof tegen de orde die tijdens Franciscus afwezigheid zullen plaatsvinden. Hij verwijt hem ook de uitzending van de broeders naar verre streken waar zij overgeleverd worden aan honger en andere moeilijkheden. Volgens de Legenda Perusina raakt Franciscus in grote innerlijke opwindig en geeft hem een profetisch antwoord: “Heer, denkt of gelooft U, dat God de broeders alleen heeft geroepen voor deze streken? Ik verzeker U veeleer naar waarheid, dat de Heer de broeders gekozen en uitgezonden heeft tot nut en heil van de zielen van alle mensen op de hele aarde. Zij zullen niet alleen in het land van de gelovigen maar ook in dat van de ongelovigen opgenomen worden. En als ze nakomen wat zij de Heer beloofd hebben, zal Hij van zijn kant het noodzakelijke ter beschikking stellen in het land van de ongelovigen alsook in dat van de gelovigen.” Ugolino verwondert zich over deze woorden en verzekert Franciscus dat het juist is wat hij zegt. Toch laat hij hem niet naar Frankrijk gaan; waarop Franciscus andere broeders daarheen stuurt en zelf terugkeert in het dal van Spoleto.

Het voornemen om naar Frankrijk te reizen is volgens de Legenda Perusina gebaseerd op de overweging dat daar een katholiek volk woont dat een grote verering heeft voor het lichaam van de Heer. Hoewel de grote eerbied van Franciscus voor het ‘Corpus Christi’ bekend is is deze motivering op het eerste gezicht merkwaardig. Wil Franciscus alleen naar de andere kant van de Alpen gaan om zich daar te verheugen over het geloof van de Fransen in de eucharistie. Zijn verwijzing naar het land van de ongelovigen in het gesprek met de kardinaal en zijn vermaning aan de minderbroeders (1ste Vermaning): “Ongelovig (en dus verdoemd) zijn degenen die niet geloven dat in de gedaante van brood en wijn waarlijk het lichaam en bloed van de Heer tegenwoordig is” doen vermoeden dat het eigenlijke doel van de reis is de katharen daar zijn opvatting van het lichaam van de Heer te demonstreren. En de reden voor kardinaal Ugolino om zich tegen dit reisplan van Franciscus te verzetten ligt veeleer in het verhinderen van een dergelijke samenkomst in Zuid-Frankrijk. Hij lijkt te vrezen dat levenswijze en kerkopvatting van Franciscus en van de katharen elkaar gevaarlijk naderen. Dat de spiritualiteit van Franciscus zich, niet alleen inzake het lichaam van Christus, juist radicaal onderscheidt van die van de katharen lijkt van minder gewicht. Er zijn natuurlijk ook katharen in Italië maar daar kan Ugolino de enthousiaste beweging rond Franciscus beter beschermen en corrigeren. Als Gregorius IX wordt hij niet toevallig de grondlegger van de pauselijke inquisitie tegen ketters.

Franciscus en de katharen in Italië

Het blijft dus een open vraag wat de houding van Franciscus zou zijn geweest tegenover de katharen in de Languedoc als kardinaal Ugolino hem niet verboden had naar Zuid-Frankrijk te trekken. In het jaar 1217 is daar een patstelling ontstaan in de kruistocht tegen deze katharen of Albigenzen. De reeks massamoorden die 1209 begon in Beziers waar, overigens zonder onderscheid naar geloofsovertuiging, een bloedbad werd aangericht, heeft het katharendom ernstig verzwakt, maar zeker niet uitgeroeid. Simon van Montfort en zijn kruisridders uit Noord-Frankrijk veroveren wel steeds meer steden, maar veel katharen weten zich nog veilig op het platteland en in de bergen. Na het Lateraans concilie van 1215 in Rome wordt de strijd tegen de Albigenzen naar het tweede plan geschoven door de voorbereidingen van een kruistocht ter herrovering van Jeruzalem. De oprichting in 1216 van de orde der predikheren door Dominicus en zijn metgezellen, die met hun optreden bij de katharen wel enig succes boekten kan Franciscus gestimuleerd hebben zijn missie van vrede en verlossing door Christus ook voor te gaan leven in Zuid-Frankrijk. En zijn streven naar een dienstbare kerk zonder politieke macht zou wellicht een alternatief kunnen vormen voor de sympatisanten van de kerk van de ‘perfecti’. Maar nogmaals, het oordeel van Franciscus over de kruistocht tegen de Albigenzen zullen we wel nooit achterhalen.

Het is ook ondoenlijk en onnodig om hier een schets tegeven van de geschiedenis van de dualistische beweging met hun leer van de eeuwige strijd tussen de geestelijke goede macht en de stoffelijke kwade macht; van de Bogomilen van de Balkan en Constantinopel in de tiende en elfde eeuw, via kathaarse kringen in het Rijnland en in Noord-Frankrijk in de twaalfde eeuw naar de kathaarse kerken in Zuid-Frankrijk en Italië van de twaalfde en dertiende eeuw. Wel stippen we nog kort enkele ontwikkelingen aan die van belang zijn voor Noord- en Midden-Italië zodat we de schaarse verslagen van de ontmoetingen van Franciscus met katharen aldaar beter kunnen duiden. In de tweede helft van de twaalfde eeuw wordt een groot deel van Europa nog steeds gedomineerd door de strijd tussen de pausen van Rome en keizer Frederik I van het Heilige Roomse Rijk, met zijn afwisseling van tegenpausen en spectaculaire verzoeningen. Tegelijkertijd leidt Frederik Barbarossa zes gewapende tochten naar Italië om Milaan en andere autonome stadstaten weer onder controle te krijgen; hij is immers ook koning van Lombardije. De pausen van hun kant proberen het ‘Patrimonium Petri’ uit te breiden met het hertogdom Spoleto en het markgraafschap Toscane ten koste van het keizerlijke leenheerschap over deze gebieden. In diverse Italiaanse steden krijgt het konflikt tussen Ghibelijnen en Welfen het karakter van een heuse burgeroorlog. En de anticlericale traditie inspireert leiders van steden in de lange reeks van konflikten met locale bisschoppen over landerijen en voorrechten.

Tegen deze achtergrond van geweld en politieke instabiliteit moet de opkomst van het katharendom in Noord- en Midden-Italië geplaatst worden. In deze contreiën kan zonder voorafgaand kerkelijk onderzoek gepreekt en persoonlijk gemissioneert worden. De oproep van de volmaakten (perfecti) tot ethisch gedrag is een voorname faktor bij het ontstaan van de kathaarse gemeenschap. Een bewaard gebleven preek van Federico Visconti, aartsbisschop van Pisa, wijst bijvoorbeeld op feodale heren in de bergen die onder invloed van de eerste katharen afzien van roofovervallen. En Het leven van de heilige Galdinus bericht hoe deze aartsbisschop van Milaan in 1166 - 1167 de ketterij bestrijdt door de mensen te onderrichten in de fundamenten van het katholieke geloof; niet alleen met woorden maar ook door zijn voorbeeld. Hij past niet in het beeld van een leven in rijkdom en macht dat zoveel prelaten oproepen. Opvallend is dat er nog niet wordt gerept over gerechtelijke stappen tegen de ketters. Een generatie later bestempelt Jacques de Vitry Milaan zelfs tot een ‘poel van ketters’.

Het sukses van de katharen in Italië wordt gevoed door de overtuiging, die reeds door Arnold van Brescia, de Waldenzen en de Patarijnen verbreid werd, dat de huidige kerk het evangelie heeft verraden. Haar priesters zouden verstrikt zijn in het machtspel en in zedelijke losbandigheid en niet langer een kanaal voor de goddelijke genade vormen. De sacramenten die zij bedienen zouden daardoor waardeloos zijn. Daarentegen leiden de ‘perfecti’ een ascetisch leven; hun afwijzen van kerkgebouwen impliceert bovendien dat de instandhouding van de kathaarse organisatie weinig kost. Vandaar dat de pretentie van deze volmaakten, dat zij de ware erfgenamen van de apostelen zijn, regelmatig instemming ontmoet. De arme kerk uit de begintijd van het christendom als tegenbeeld voor een kerk waar de koop en verkoop van ambten en wijdingen schering en inslag zijn treffen we reeds aan in de agitatie van de gregoriaanse hervorming uit de elfde eeuw. In de twaalfde eeuw wordt dit beeld echter ook ingezet tegen het bestaan van de kerkelijke staat; de zogenaamde schenking van keizer Konstantijn aan paus Silvester zou het begin markeren van de corrumpering van Rome. Hoewel het leven in volstrekte armoede voor de ‘perfecti’ geen verplichting vormt speelt het ideaal van een terugkeer naar die oorspronkelijke kerk niet alleen de minderbroeders maar ook de katharen in de kaart.

De italiaanse katharen onderhouden al vroeg betrekkingen met hun geloofsgenoten in de Languedoc en met de Bogomilen op de Balkan. Reeds in het jaar 1167 vindt er in de buurt van Toulouse een kathaars concilie plaats waar een hoogwaardigheidsbekleder uit het oosten, papa Niketas genaamd, nieuwe bisschoppen wijdt en opneemt in de stand van de volmaakten. Op dit concilie zijn ook vertegenwoordigers van Noord-Italiaanse gemeenschappen aanwezig. Rond 1200 zijn de katharen ook ruimschoots vertegenwoordigd in Midden-Italië. Er bestaan inmiddels kathaarse bisdommen in de Toscane, met Florence als hoofdzetel, en in Umbrië, met Spoleto als hoofdzetel. Meer dan in de Languedoc leiden kathaarse bischoppen in Italië een rondtrekkend bestaan. Alleen al daarom ligt het voor de hand dat Franciscus vertrouwd is geweest met de geloofsopvattingen en de vroomheid van de katharen. Dat men weinig daarvan in zijn geschriften terugvindt heeft vooral te maken met de bestrijding van de ketterij. De pausen proberen niet alleen katharen maar ook hun meelopers en verdedigers onder druk te zetten. Blijven ze na een ernstige vermaning halstarrig volharden dan kunnen burgers niet langer gekozen worden in publieke functies; priesters verliezen hun prebenden, juristen mogen niet langer optreden als rechter, advocaat of notaris. Bezittingen van katharen en hun sympathisanten moeten gekonfisceerd en hun nakomelingen onterfd. Stadsbesturen die de uitvoering van dergelijke maatregelen dwarsbomen worden geëxcommuniceerd en de pausen zoeken steun bij het wereldlijke zwaard van de heersers en de keizer om ketters en sympathisanten aan te pakken. Vanwege de instabiele politieke verhoudingen blijft het veelal bij halfslachtige maatregelen. In ieder geval komt het in Italië niet tot een kruistocht tegen de katharen.

De katharen zien zichzelf als rechtzinnige christenen en zij verdedigen hun leer met het Nieuwe Testament dat zij wel op zeer eigen wijze interpreteren. Zij willen niet van deze wereld zijn, want de materiële wereld is volgens hen geschapen door een kwade Godheid. Deze God zien zij aan het werk in het Oude Testament; dat zij dus verwerpen met uitzondering van bepaalde gedeelten zoals de Psalmen. De leer van het cosmische dualisme, de eeuwige strijd tussen goed en kwaad die teruggaat op twee rivaliserende goddelijke machten, is gemeenschappelijk voor alle richtingen binnen de katharen. Verder vindt men een aantal uiteenlopende mythen en voorstellingen die vooral betrekking hebben op de schepping en de val van de engelen. In een daarvan, die ook in Italië verbreid is, wordt Lucifer (Satan) voor zijn opstand tegen God gezien als de op zijn troon gezeten Heerser van het universum. De katharen streven in hun leven naar een bevrijding van alle materiële, want kwade, elementen. Dat hangt samen met hun voorstellingen over de val van de engelen en over het wezen van de ziel. Al het levende is voor hen bezield. De zielen zijn engelen (of delen daarvan) die in de materie gevallen en gevangen zijn maar die onderweg zijn naar hun oorspronkelijk geestelijk wezen. Voor een kleine kern van volmaakten (‘perfecti’ of ‘boni homines’ genaamd) ligt dit doel reeds onder bereik.

Het meerendeel van de eenvoudige gelovigen (‘credentes’) streeft er nog naar die volmaaktheid te naderen. Mannen en vrouwen die tijdens hun leven deze hoogste staat bereikt hebben worden middels een sacramentele initiatieritus opgenomen onder de volmaakten. Dit ‘consolamentum’ bestaat uit een plechtige handoplegging en wordt doop van de geest of ook wel vuurdoop genoemd. De katharen beroepen zich hier op het Lucas-evangelie waar Johannes de Doper zegt: “Ik doop u met water, doch Hij die na mij komt, is sterker als ik … die zal u dopen met de heilige Geest en met vuur”. Dit impliceert overigens dat de katholieke kerk nog steeds de kerk van Johannes de Doper is en niet die van Christus. De volmaakten krijgen de volmacht om zonden te vergeven, om te binden en te ontbinden, om duivels uit te drijven en te helen; voortaan mogen zij ook spreken in tongen. Alle sexuele kontakten en ook het huwelijk zijn voor de ‘perfecti’ voortaan uit den boze omdat de vermeerdering van de mens de duur van het rijk van het Kwade verlengt en het herstel van een hemelse wereld vertraagt. Daartegenover bekrachtigt het Lateraans concilie van 1215 de noodzaak van de doop en de rechtmatigheid van het huwelijk. De kathaarse gemeenschap verlangt dat haar volmaakten zich ook onthouden van alle vlees en vet, want ook bij dieren wordt de gevangenis van hun zielen bestendigd door de voortplanting. Ook kaas en eiëren zijn vanwege hun band met de voorplanting taboe. Het voedsel van de katharen beperkt zich tot brood en wijn, noten en vruchten, groenten en … vissen; die zouden zich volgens de katharen immers niet geslachtelijk vermeerderen.

In dit verband moet een kleine anecdote over Franciscus geplaatst worden. Te gast bij een familie in Alessandria verorbert Franciscus een kapoen, indachtig de bijbelse raad ‘eet wat je voorgezet krijgt’. Een bedelaar die om een milde gave vraagt geeft hij een stuk daarvan op brood. De volgende dag, als Franciscus staat te preken, wil de ‘bedelaar’ hem met het tonen van dit vlees ontmaskeren. Hij moet echter vaststellen dat de kapoen op wonderbaarlijke wijze verandert is in een vis. Thomas van Celano schrijft dat de menigte hevig verontwaardigd is over dit optreden. Zij kennen dus de eetvoorschriften van de volmaakten en sympathiseren daar wellicht mee. De ketterse bedelaar biedt daarop Franciscus zijn excuses aan. Dankzij de terugkeer van enkele geleerde katharen tot de boezem van de Roomse kerk komt men ook iets meer te weten over de esoterische geheimen die door hen gekoesterd worden. Bijvoorbeeld het geloof dat Jezus eigenlijk een engel en slechts schijnbaar een mens is geweest. Het zal duidelijk zijn dat Franciscus, met zijn geloof in de geboorte van Jezus uit de schoot van de heilige Maagd, dwars op de spiritualiteit van de katharen komt te staan.

In een tweede anecdote probeert iemand Franciscus in een pijnlijke situatie te brengen en een priester te lasteren. In een kerk in Lombardije, waar Franciscus is gaan bidden, vraagt de ‘manichaeër’ hem waarom hij de priester eerbiedig bejegend; terwijl die een concubine erop nahoudt en zijn handen dus ontwijd zijn. Franciscus reageert, in aanwezigheid van de parochieleden, met een symbolische geste. Hij knielt, kust de handen van de priester en verklaart dat, of de beschuldiging nu waar is of vals, hij deze handen kan kussen vanwege het sacrament dat zij uitdelen. Algemener gesteld: gemachtigden tot sacramentele handelingen hoeven niet volmaakt te zijn. Deze openlijke tolerantie ten aanzien van mogelijk hokkende priesters is deste opmerkelijker als men haar contrasteert met het rigoreuze kuisheidsideaal dat hij zichzelf en de minderbroeders voorhoudt. De Regula non bullata waarschuwt: “Alle broeders, waar zij ook zijn of heengaan, moeten zich in acht nemen voor het boze oog en het bezoek van vrouwen. En niemand mag zich met hen amuseren of alleen met een vrouw op weg gaan of met haar aan tafel uit een bord eten.” Met het boze oog wordt hier gedoelt op het begeerlijk kijken naar een vrouw. In dezelfde orderegel wordt seksueel verkeer met een vrouw gestraft met verlies van het ordekleed en met een verwijdering uit de orde.

De definitieve orderegel uit 1223 is duidelijk milder; waarschijnlijk op grond van nadere ervaringen met het te hoog gespannen kuisheidsideaal. Nog steeds wordt elke intieme omgang met een vrouw die argwaan kan oproepen verboden, maar nu kan men in geval van een zware zonde bij de minister van zijn ordeprovincie vergeving en absolutie krijgen en kan men boete doen binnen de orde. De geremde houding van Franciscus ten aanzien van vrouwen draagt onmiskenbaar neurotische trekken; ook zijn metgezellen vinden het niet normaal dat hij vermijdt om vrouwen aan te kijken. Hij bekent eens dat hij slechts twee vrouwen van gezicht kent; vermoedelijk gaat het hier om Clara van Assisi en om Jacopa dei Settesoli. Met de laatste, een adelijke dame uit Rome, kan hij alleen een onbevangen relatie onderhouden door haar aan te spreken als ‘broeder Jacopa’. Een van de redenen voor zijn angstige verhouding tot vrouwen ligt in zijn sterke sexualiteit. Nog in zijn latere jaren, als zijn lichaam door ziekten en vasten verzwakt is wijst hij openlijk op zijn potentie: “Ik kan nog zonen en dochters hebben.” Hij zegt dit vooral als hij door anderen om zijn heiligheid geroemd wordt en ook om te wijzen op het gevaar dat voortkomt uit de natuurlijke opwellingen van zijn lichaam. Vandaar dat hij zijn ‘broeder ezel’ met een strikte discipline en zonodig met zelfkastijding de baas probeert te blijven.

Het is de vraag of deze kuisheidsopvatting mede verklaard moet worden door kathaarse invloeden. Zoals bekend hebben ook de ‘perfecti’ zich verplicht tot een leven in strikte sexuele onthouding. Maar in de coïtus van alle levende wezens zien zij slechts een kwade macht aan het werk. Franciscus is daarentegen overtuigd van de fundamentele goedheid van de schepping en beschouwt voortplanting van mensen noch van dieren als boosaardig. Voor wereldverlaters is de sexualiteit wel bedreigend omdat ze door de daemon gebruikt wordt om hem of haar af te brengen van de wegen der heiligheid. Daarom vertrouwt Franciscus veeleer op de bovennatuurlijke hulp van de engelen, vooral op de heilige Michaël die de zielen geleidt tot God. In de byzondere rol die de rivaliteit tussen duistere demonen en lichtende engelen speelt in Franciscus levensovertuiging merkt men nog een zekere verwantschap met kathaarse denkbeelden. Het beroemde zonnelied laat evenwel zien dat de spiritualiteit van Franciscus’ elk dualisme achter zich laat.

Het zonnelied van Franciscus

In deze paragraaf concentreren wij ons op een van de mooiste teksten uit de westerse mystiek: het Loflied van broeder Zon of Loflied van de Schepselen. Dit zonnelied vormt een van de vroegste teksten in de middenitaliaanse volkstaal. Franciscus dicht dit loflied in de winter van 1224-1225 op drieenveertig jarige leeftijd. Hij ligt dan uitgeteerd, half blind en depressief in een bouwvallig vertrek naast het klooster van Clara en haar zusters in San Damiano. De toekomst van zijn levenswerk baart hem grote zorgen; de minderbroeders dreigen immers pionnen te worden in de kerkpolitiek van de paus. Dit beroemde lied is waarschijnlijk de meest becommentariëerde tekst van Franciscus. Ik heb me bij mijn korte bespreking vooral gebaseerd op het Het Zonnelied van broeder Frans van Assisi, door Otger Steggink. Dit fraai geïlustreerde boekje besteedt ook aandacht aan Franciscus profetisch optreden tegen de kruistochten, verheldert diens spirituele ontwikkeling met inzichten uit de moderne dieptepsychologie en godsdienstfenomenologie en actualiseert zijn boodschap naar ecologische en sociale kwesties van deze tijd. Franciscus’ distanciëring van de dualistische leer der katharen wordt slechts terloops vermeld; in dat opzicht schieten wij hem te hulp. Al met al vormt Stegginks behandeling van de strofen een waardevolle ‘ouverture’ tot dit prachtige lied. In zijn vertaling luidt het zonnelied van Franciscus aldus:

    1 Hoogste, alvermogende, goede Heer,
    van Jou zijn de lof, de roem, de eer en alle zegening.
    2 Jou alléén, Hoogste, komen ze toe, en geen
    mensenkind is waardig Jou bij name te noemen.
    3 Wees geloofd, mijn Heer, met al jouw schepselen,
    vooral mijn Heer broeder Zon,
    die de dag is, en Jij verlicht ons door hem.
    4 En hij is mooi en stralend met grote glans,
    van Jou, Hoogste, draagt hij het teken.
    5 Wees geloofd, mijn Heer door zuster Maan en de Sterren,
    aan de hemel heb Jij ze gemaakt: klaar en kostbaar en mooi.
    6 Wees geloofd, mijn Heer, door broeder Wind,
    en door lucht en wolken en helder en alle weer.
    door wie Jij aan je schepselen geeft onderhoud.
    7 Wees geloofd, mijn Heer, door zuster Water,
    die heel bruikbaar en nederig is, en kostbaar en kuis.
    8 Wees geloofd, mijn Heer, door broeder Vuur,
    door wie Jij ons verlicht de nacht,
    en hij is mooi en speels en robuust en sterk.
    9 Wees geloofd, mijn Heer, door zuster onze moeder Aarde,
    die ons onderhoudt en verzorgt, en voortbrengt
    velerlei vruchten, met kleurige bloemen en groen.
    10 Wees geloofd, mijn Heer, door hen die vergeven uit liefde tot Jou,
    en ziekte en tegenspoed verduren.
    11 Gelukkig zij die het in vrede zullen verdragen,
    want door Jou, Hoogste, zullen zij worden gekroond.
    12 Wees geloofd, mijn Heer, door onze zuster lichamelijke Dood,
    aan wie geen levend mens kan ontkomen.
    13 Wee hen die sterven in zonden-ten-dode,
    gelukkig zij die zij zal vinden in jouw heiligste wilsbesluiten,
    want de tweede dood zal hen geen kwaad doen.
    14 Looft en zegent mijn Heer,
    en dankt en dient hem in grote deemoed.

Het zonnelied ontstaat na een lange worsteling met leven en dood; twee maanden duurt die ‘donkere nacht van de ziel’, maar dan komt de dageraad. Thomas van Celano bericht dat Franciscus, zieker en angstiger dan anders, tot Christus bidt om zich niet over te geven aan zelfmedelijden. In die nacht doet de Heer hem in de volgende gelijkenis de belofte van het eeuwige leven: “Stel je nu eens voor, dat heel de aarde en het heelal van niet te schatten kostbaar goud zijn en jij in ruil voor al die ondraaglijke en pijnlijke ongemakken, die je ondergaat, nadat je van al die smart verlost bent, als beloning zo’n heerlijke schat zou krijgen, dat al dat goud in vergelijking daarmee niets te betekenen heeft, ja zelfs het noemen niet waard zou zijn; zou je dan niet erg blij zijn en graag willen verduren wat je maar voor een korte tijd te verduren hebt?” De heilige antwoordde; “Natuurlijk zou ik blij zijn, ik zou mateloos blij zijn.” “Nu dan”, zie de Heer hem weer, “wees dan blij en juich! Je ziekte is immers de garantie voor je recht op mijn Rijk en dankzij je geduldige volharding mag je onbekommerd en zeker verwachten dat je mijn Rijk als erfenis krijgt”. Nu ontwaakt Franciscus tot een nieuw leven; hij weet zich aanvaard door de liefde van de “alvermogende, hoogste, goede Heer”. Het is alsof in zijn ziel de zon opgaat na een lange depressieve nacht. Verlost van twijfel en angst zingt hij de volgende morgen zijn Loflied van broeder Zon. De eerste strofe doet denken aan de lofprijzing van de vierentwintig oudsten uit het Boek der Openbaring: “Waardig zijt Gij, onze Heer en onze God, te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de macht. Want Gij hebt het heelal geschapen, door uw wil ontstond het en werd het geschapen” (Openbaring 4; 10-11).

De openingstrofe vertolkt de vlucht van de ziel, of de geest zo u wilt, omhoog naar datgene wat het hart zo vurig verlangt. Dit menselijk verlangen om boven zichzelf uit te stijgen naar de ‘Hoogste’ stuit echter onmiddelijk op het pijnlijke bewustzijn, dat die “Hoogste, alvermogende, goede Heer” onnoembaar en ongrijpbaar is voor de mens; “geen mensenkind is waardig Jou bij name te noemen”. De mens die de pretentie heeft God bij naam te noemen blijft gevangen in menselijke begrippen en projecties die troost en veiligheid moeten verschaffen. Eerst de aanvaarding van de eigen grenzen, het doorzien van godsbeelden als vormgegeven door de mens, leidt tot een loutering van het verlangen en tot een nieuwe ontvankelijkheid. Jan van het Kruis noemt dit “het grote genot van het ontwaken in God”. Voor de nieuwe mens, wiens verlangen is gezuiverd van almachtsdenken, kan de werkelijkheid zich op een belangeloze wijze openbaren. De schepselen worden dan tot een haast menselijke aanwezigheid gewekt. Voor Franciscus krijgen zij het gelaat van ‘broer’ en ‘zus’. Na de plechtige aanhef volgt een overgangsvers dat de eigenlijke lofzang inluidt: “Wees geloofd, mijn Heer, met al jouw schepselen.” Hoewel de eerste strofe eindigt met de onwaardigheid van de mens om de “hoogste, alvermogende, goede Heer” bij name te noemen, ziet Franciscus er niet van af de ‘Ontoegankelijke’ tezamen met al de schepselen lof toe te zingen. Bij hem is geen sprake van wereldverachting zoals bij de katharen; hij stemt van harte in met zijn menszijn op deze aarde; schepsel met de schepselen is hij. Zo kondigt het Loflied van de schepselen zich aan in de dubbele betekenis van het woordje van. Franciscus zingt de lof van de ‘hoogste Heer’ vanwege de schepping èn hij spoort de schepselen aan in te stemmen met die lofzang.

Dan begint het eigenlijke zonnelied, dat bestaat uit een litanie van elementaire beelden, die begint met “Vooral mijn Heer broeder Zon”. De kosmos is voor Franciscus allereerst een openbaring van licht, waarin de zon de hoofdrol speelt. De zon wordt ‘mijn Heer’ genoemd, maar ook ‘broeder’. “Waarom noem jij de zon een heer?” vroeg broeder Leo eens aan Franciscus. Deze antwoordde: “Omdat hij dieren en planten tot leven wekt, meer dan alle andere elementen”. “Is er nog een reden ?” vroeg broeder Leo. “Ja”, zei Franciscus, “omdat hij warmte geeft aan kleine kinderen, die nog niet kunnen lopen, en aan oude mensen wier leden te stram en te stijf worden.” “Is dat alles?” vroeg tenslotte broeder Leo. “Nee”, zei Franciscus. “De ware reden waarom broeder Zon een ‘Heer’ genoemd wordt is dat hij wil opgaan over goeden en kwaden. Zonder ooit te aarzelen! Zonder ooit te aarzelen!” Alleen van broeder Zon zegt Franciscus uitdrukkelijk dat hij teken is van de ‘Hoogste’. De zon is de dag en het licht zoals God licht is. Franciscus grijpt hier terug, wellicht zonder dat te beseffen, op de zonnecultus in archaïsche godsdiensten waarin licht, vuur en zon een centrale plaats innemen. Maar nieuw is dat Franciscus die ‘mijn Heer’ zijn ‘broeder’ noemt. Dit beeld van “mijn Heer broeder Zon” opent de processie van beelden die eindigt met “zuster onze Moeder Aarde”. Het cosmische paar Zon-Aarde omvat als het ware de hele schepping.

In strofe 5 wordt zijn loflied een lied van de nacht. Het lijkt paradoxaal: die bijna blinde man ziet ‘s nachts alleen maar lichtpunten! Voor de rationeel plannende mens die zijn eigen leven wil bestieren heeft de nacht, waarin gewoonlijk niet gewerkt wordt, weinig waarde. Zo iemand ziet het licht van de ‘kostbare’ sterren niet. Terwijl de mannelijke Zon wordt bezongen om zijn dynamiek en overdaad - “hij is de dag en straalt met grote glans” - zijn zuster Maan en de Sterren eenvoudigweg “klaar en kostbaar en mooi”. Ze worden niet gewaardeerd om hun ‘doen’, maar om hun ‘zijn’. Het woord klaar (clarite) bij zuster Maan roept in Franciscus’ ziel ongetwijfeld het beeld van zuster Clara op; die jonge vrouw uit Assisi die bij broeder Frans de zuivere eenvoud van het evangelie heeft gezocht. Thomas van Celano beschrijft ‘Vrouwe Clara’ als “de kostbaarste steen … adelijk door geboorte, van hoger adel door de genade van God”. Zij speelt een niet weg te denken rol in het leven van broeder Frans. We hebben gezien hoe Franciscus verzaakt aan de vrouw op het niveau van de lichamelijke begeerte. In Clara di Favarone vindt hij de vrouw terug als geestverwante. Wanneer hij aarzelt over de te volgen weg, vraagt hij haar om raad. Later als alle klaarte verdwijnt, zowel uit zijn ziel als uit zijn ogen, zoekt hij bij haar naar licht. De legende heeft dit op treffende wijze verbeeld. Op een zekere nacht met volle maan bidt Franciscus met onrustig hart. Dichtbij is een put; Franciscus gaat ernaar toe om in beschouwing zichzelf weerspiegeld te zien. En … in het ronde water spiegelt het serene gezicht van zuster Clara. Het maanlicht doet het blanke en schone ovale gelaat afsteken tegen haar donkere sluier. Zuster Clara bedekt dan haar gelaat en bidt voor hem. En het licht en de vrede keren weer terug in de ziel van de onrustige Franciscus. Juist bij San Damiano, in de nabijheid van zuster Clara, bij wie hij in de winter van 1224/25 in zijn lichamelijke en geestelijke nood toevlucht zoekt, krijgt Franciscus de verzekering dat hij mag binnentreden in het Rijk van de Hoogste Heer.

Vervolgens belandt het zonnelied, dat begon in het hemelruim, in de sfeer van het ondermaanse. Nu worden ‘broeder Wind’ en ‘zuster Water’ bezongen. In oude mythen vormen zij veelal een paar. Zo ook in het bijbelse scheppingsverhaal waar de adem van God, de levenwekkende wind, ruist boven de wateren. En het evangelie spreekt over een nieuwe geest (adem). Bij Johannes lezen we dat Jezus zegt: “als iemand niet geboren wordt uit water en geest, kan hij het rijk Gods niet binnengaan …” Franciscus heeft op zijn vele omzwervingen zich vaak ervaren als een blad in de wind, gedreven door innerlijke krachten en gestuurd door externe machten. Maar het belangrijkste bleef open te staan voor ‘de geest die waait waar Hij wil’. Broeder Wind wordt niet bezongen als klaar, kostbaar en mooi; zijn beeld zou niet naakter kunnen zijn. Wel wordt hij gevierd in zijn manifestaties en als medewerker van de Schepper. Franciscus’ verbroedering met de wind is de uitdrukking van een innerlijke onthechting en van een vrijwording in het leven. Broeder Wind wordt gevolgd door zuster Water, die ‘heel bruikbaar en nederig’ is en ‘kostbaar en kuis’. Toch vreemd dat die ‘poverello’ uit Assisi steeds maar droomt van ‘kostbare’ dingen aan de hemel en op aarde. Meer dan ooit is het water kostbaar, vooral het levende water, dat opborrelt uit onaangeroerde diepten, zoals het maagdelijke water uit de diepe put van de Samaritaanse vrouw (Johannes 4; 11).

In de volgende strofe over ‘broeder Vuur’ is het vuur ontdaan van zijn geweldadigheid en vernietigende kracht en omgevormd tot een lichtend, speels en weldadig element. In dit verband past het verslag van Thomas van Celano over de, in onze ogen absurde en gevaarlijke, medische behandeling van Franciscus door een chirurgijn om zijn oogziekte te genezen. Franciscus stemt in met de bewerking van zijn slapen met een gloeiend ijzer na de bede: “Broeder Vuur, de Allerhoogste heeft je een luister geschonken die je door alle schepselen wordt benijd. Hij heeft je nuttig gemaakt en mooi en sterk. Toon je nu dan ook goed en hoffelijk jegens mij, want ik heb je altijd liefgehad in de Heer”. Hij vraagt het vuur de kracht te mogen hebben “je vurige liefkozing te verdragen”. Toen dit alles voorbij was, zei Franciscus tot zijn gezellen: “Ik kan jullie naar waarheid zeggen, dat ik de hitte van het vuur helemaal niet heb gevoeld en niet de minste pijn heb gehad”. Deze broederlijke verhouding met het vuur is verrassend. Uit alle verhalen blijkt dat hij zich tot het vuur aangetrokken voelt, dat het hem fascineert; tegelijk koestert hij er diepe eerbied voor. Niet toevallig zijn dat ook de twee gevoelens die bij de mens opkomen als hij tegenover de sacrale werkelijkheid komt te staan. Er is iets in het vuur waardoor hij opgetogen raakt, dat zijn ziel in vlam zet en hem in extase opheft naar die ontoegankelijke “hoogste, alvermogende, goede Heer”.

Van het hoge firmament komt het zonnelied via wind, water en vuur, vervolgens terecht bij ‘zuster onze moeder Aarde’. Hij bezingt haar als de moeder ‘die ons voedt en verzorgt’. Daarenboven omringt zij allen die bij haar leven met mooie dingen. Het beeld van Moeder Aarde is zeer oud; nog voordat ze werd beschouwd als godin van de vruchtbaarheid heeft de aarde zich voorgedaan als moeder zonder meer. Franciscus herneemt dit archaïsche beeld, maar vernieuwt het ook; ‘Zuster onze Moeder Aarde’ zingt hij. De benaming zuster geeft aan dat, ook al is de aarde onze moeder en is ons leven van haar afhankelijk, zij daarmee nog niet de uiteindelijke bron van alle leven is. Ook zij maakt deel uit van de grote familie van de schepselen. De aarde als onze zuster wil zeggen: zij heeft dezelfde oorsprong als wij. De belangrijkste geste van Franciscus die zijn lof op Moeder Aarde extra diepgang geeft is de enscenering van zijn eigen dood. “Hij wendde zich”, aldus Thomas van Celano, “tot zijn broeders met de woorden ‘wanneer jullie zien dat het einde nabij is, leg mij dan … naakt op de naakte aarde. Laat mij zo liggen na mijn laatste zucht gedurende de tijd die nodig is om een mijl langzaam af te leggen’”. Franciscus’ eerste biografen geven als motief aan dat Franciscus ‘naakt met de naakte Christus’ wil zijn. Volgens Thomas van Celano zong hij op zijn sterfbed het Zonnelied en sprak hij daarna deze wens uit. Met deze strofe over ‘zuster onze Moeder Aarde’ eindigt het loflied van de cosmische elementen.

Het lied van ‘mijn Heer broeder Zon’ en ‘zuster moeder Aarde’ wordt nu het lied van de mens. Franciscus bezingt niet de mens in het algemeen, maar de mens die vergeving schenkt en vrede maakt; de mens die ziekte en tegenspoed in vrede verdraagt. Dit is iets dat alleen de mens eigen is. In de 5de Vermaning schrijft hij: “Bedenk wel, mens, op wat voor hoogte de heer God je geplaatst heeft, want Hij heeft je geschapen en gevormd naar het beeld van zijn beminde Zoon volgens het lichaam en naar de gelijkenis met Hem volgens de Geest”. De ander schepselen loven de Heer volgens hun eigen zijnswijze, maar voor de mens betekent God loven gelijkvormig aan Jezus te worden. Op de eerste plaats komt het loven door mensen die elkaar vergeving schenken ‘uit liefde tot God’. Zo loopt de verbroedering en verzustering met de kosmische elementen uit op de verbroedering met de mensen. In zijn Testament zegt Franciscus: “De heer heeft mij geopenbaard, dat wij als groet moeten zeggen: ‘de Heer geve u vrede’.” Ware vrede is meer dan een wapenstilstand, zij is de vrucht van vergeving en verzoening.

Die vrede wordt door Franciscus in zijn zonnelied nadrukkelijk verbonden met het verdragen van ziekte en tegenspoed. Zo ook in de 15de Vermaning: “Zij brengen werkelijk vrede die, bij alles wat zij op de wereld te lijden hebben, omwille van de liefde van onze Heer Jezus Christus, naar ziel en lichaam de vrede bewaren.” Hier zingt hij de verzoening met zijn eigen ziekte en zelfs met de dreigende verwording van zijn orde uit. De vrede die Franciscus nu ondervindt ervaart hij als een bekroning door de Hoogste. Nu kan hij ook de lof zingen van ‘onze zuster de lichamelijke dood’. Hij roept de dood zelfs op, hoe gehaat ze ook bij velen is, om met die lofprijzing in te stemmen. De christelijke literatuur van vóór Franciscus kent geen voorbeeld van een dergelijke ‘zusterlijke’ naamgeving van de dood. Als deze woorden niet waren ‘gezongen’ in het aanschijn van de dood zou men geneigd zijn ze te beschouwen als de vrucht van een overdreven dichterlijke verbeelding.

Het is duidelijk dat bij Franciscus de ontmoeting met de lichamelijke dood een instemming betekent met het menselijke bestaan in zijn volheid. Hij ontdekt en ervaart in het ‘heel andere’ van de dood een werkelijkheid waarmee hij vertrouwd is geraakt. Deze werkelijkheid wordt slechts toegelaten door de uittocht uit zijn ik. Op deze radicale zelfontlediging loopt het zonnelied uit. Maar wie zich afsluit voor deze totale overgave aan het Zijn, degene wiens leven veeleer verworden is tot een ‘hebben’ is geestelijk dood. Voor deze mensen is het sterven een doodlopende weg; alles wordt hem ontnomen. Om de dood als ‘zuster’ te kunnen begroeten moet de mens het Zijn van de Eeuwige hebben gesmaakt. Over hen heeft de tweede dood geen macht; zij komen in Zijn Rijk. Het Loflied van broeder Zon, dat uitloopt op een lofzang van ‘zuster lichamelijke dood’ eindigt daarom met een oproep aan de mensen om God te loven ‘met grote deemoed’. Dit ‘humilitate’ wijst op ‘humus’, verwijst de mens naar de aarde. De mens als schepsel met de schepselen wijst op haar beurt naar de Hoogste, alvermogende, goede Heer.

Voor ons thema Franciscus en de katharen is doorslaggevend dat juist door het samenvallen van de cosmische met de evangelische mystiek in het zonnelied Franciscus zich distanciëert van het dualisme van de katharen. Het Loflied van de Schepselen vormt tevens een bevrijdend gedicht op zijn persoonlijke lijdensweg tegen het einde van zijn leven. Deze laatste kruisweg van Franciscus wordt verduisterd door de hagiografie die Bonaventura ± 1260 schrijft terwijl hij de oudere verhalen omtrent Franciscus poogt te vernietigen. Zijn Legenda maior en haar verkorte versie de Legenda minor sanctionneert namelijk de transformatie van een armoedebeweging van dienstbare leken naar een clericale bedelorde. En kunstenaars zoals Giotto (1267-1337) beelden deze officiële biografie prachtig uit. Voortaan verdringt de legende van de vuurproef bij de sultan van Egypte en de verheffing van de heilige Franciscus door het ontvangen van de stigmata de spiritualiteit van de ‘mindere broeder’ die ook onder moslims en katharen Christus wil navolgen.

© Harrie Teunissen, Leiden juli 2002

Bijlagen:

REGULA NON BULLATA, Cap. XVI: De euntibus inter saracenos et alios infideles

1 Dicit Dominus: «Ecce ego mitto vos sicut oves in medio luporum».
2 Estote ergo prudentes sicut serpentes et simplices sicut columbae (Mt 10,16).
3 Unde quicumque frater voluerit ire inter saracenos et alios infideles, vadat de licentia sui ministri et servi.
4 Et minister det eis licentiam et non contradicat, si viderit eos idoneos ad mittendum; nam tenebitur Domino reddere rationem (cfr. Lc 16,2), si in hoc vel in
aliis processerit indiscrete.
5 Fratres vero, qui vadunt, duobus modis inter eos possunt spiritualiter conversari.
6 Unus modus est, quod non faciant lites neque contentiones, sed sint subditi omni humanae creaturae propter Deum (1 Petr 2,13) et confiteantur se esse
christianos.
7 Alius modus est, quod, cum viderint placere Domino, annuntient verbum Dei, ut credant Deum omnipotentem Patrem et Filium et Spiritum Sanctum,
creatorem omnium, redemptorem et salvatorem Filium, et ut baptizentur et efficiantur christiani, quia quis renatus non fuerit ex aqua et Spiritu Sancto, non
potest intrare in regnum Dei (cfr. Joa 3,5).
8 Haec et alia, quae placuerint Domino, ipsis et aliis dicere possunt, quia dicit Dominus in evangelio: Omnis, qui confitebitur me coram hominibus,
confitebor et ego eum coram Patre meo, qui in caelis est (Mt 10,32).
9 Et: Qui erubuerit me et sermones meos, et Filius hominis erubescet eum, cum venerit in maiestate sua et Patris et angelorum (cfr. Lc 9,26).

CANTICUM FRATRIS SOLIS
vel
LAUDES CREATURARUM

1 Altissimu onnipotente bon signore,
tue so le laude, la gloria e l’onore et onne benedictione.

2 Ad te solo, altissimo, se konfano,
et nullu homo ene dignu te mentovare.

3 Laudato sie, mi signore, cun tucte le tue creature,
spetialmente messor lo frate sole,
lo qual’è iorno, et allumini noi per loi.

4 Et ellu è bellu e radiante con grande splendore,
de te, altissimo, porta significatione.

5 Laudato si, mi signore, per sora luna e le stelle,
in celu l’ài formate clarite et pretiose et belle.

6 Laudato si, mi signore, per frate vento,
et per aere et nubilo et sereno et onne tempo,
per lo quale a le tue creature dai sustentamento.

7 Laudato si, mi signore, per sor aqua,
la quale è multo utile et humile et pretiosa et casta.

8 Laudato si, mi signore, per frate focu,
per lo quale enn’allumini la nocte,
ed ello è bello et iocundo et robustoso et forte.

9 Laudato si, mi signore, per sora nostra matre terra,
la quale ne sustenta et governa,
et produce diversi fructi con coloriti flori et herba.

10 Laudato si, mi signore, per quelli ke perdonano per lo tuo amore,
et sostengo infirmitate et tribulatione.

11 Beati quelli ke ‘l sosterrano in pace,
ka da te, altissimo, sirano incoronati.

12 Laudato si, mi signore, per sora nostra morte corporale,
da la quale nullu homo vivente po’ skappare.

13 Guai a quelli, ke morrano ne le peccata mortali:
beati quelli ke trovarà ne le tue sanctissime voluntati,
ka la morte secunda nol farrà male.

14 Laudate et benedicete mi signore,
et rengratiate et serviateli cun grande humilitate.