Asturië en het begin van de ‘reconquista’

De nationale traditie van Spanje localiseert nog steeds het begin van de ‘reconquista’ (herovering) in de Picos de Europa van het Cantabrisch gebergte, waar de eerste christelijke overwinning behaald werd op een overmacht van moorse soldaten. Generaal Franco liet er een gedenkteken aanbrengen met de tekst: “Hier stond de wieg van de Spaanse natie”, de huidige kroonprins Felipe ontving in Covadonga zijn titel “Prins van Asturië” en enkele jaren geleden preekte paus Johannes-Paulus II er over de noodzaak van een re-evangelisering van Spanje. Covadonga in het Noorden is nog steeds een van de drukst bezochte bedevaartplaatsen van het Iberisch schiereiland.

Het begrip ‘reconquista’ is nauw verbonden met een bepaalde opvatting van de geschiedenis van het Iberisch schiereiland. Deze term maakt het immers mogelijk om een enorme brug te slaan over de hele Middeleeuwen van het éne rijk van de Wisi-Gothen tot de nieuwe eenwording van Spanje onder de katholieke koningen van Castilië en Aragon. De ‘reconquista’- theorie veronderstelt bovendien dat de islamitische heerschappij over een groot deel van het schiereiland alleen stand kon houden door de kracht van niet-Spaanse bevolkingsgroepen zoals de Arabieren en de Berbers. De traditionele geschiedschrijving stelt deze ‘reconquista’ dan ook voor als een natuurlijke hereniging van het Spaanse volk.

Deze visie op de Spaanse Middeleeuwen heeft een oude oorsprong. De eerste geschiedschrijving waarin het herstel van het Wisi-Gothische koninkrijk de legitimatie vormt voor een programma van herovering van Spanje op de moren vinden we in kronieken van het koninkrijk van Asturië en León uit het einde van de negende eeuw. Nu is het niet eenvoudig om het ontstaan en de evolutie van het Asturische koninkrijk en haar eerste verzet tegen de moren te beschrijven en te analyseren. De beschikbare bronnen zijn nogal schaars en vaak moeilijk te interpreteren. De oude kronieken ontstaan bovendien zeker 160 jaar later dan de behandelde gebeurtenissen.

Oude kronieken

Laten we eerst het begin van de ‘reconquista’ samenvatten zoals dat verhaald wordt in de Kroniek van Alfonso III, tussen 910 en 914 geschreven, maar die een bewerking is van een verloren tekst uit het einde van de negende eeuw. We kennen deze kroniek in twee versies die ons beide inlichten over de geschiedenis van de Wisi-Gothen, van koning Wamba (673-680) in Toledo tot de regering van Alfonso III (866-910) in Oviedo. Volgens de meest uitgewerkte versie (Cronica ad Sebastianum) speelt de eerste christelijke opstand zich af in Asturië en wordt ze aangevoerd door een zekere Pelayo. Hij is een zoon van de Wisi-Gothische hertog Fálfila en wordt in Asturië geboren. Pelayo wordt door koning Witiza uit Toledo verbannen, maar maakt later deel uit van de lijfwacht van koning Rodrigo. Na de islamitische invasie heerst in Asturië een moslim-legerleider Munuza genaamd, die in Gijón resideert. Die Munuza nu trouwt met de zuster van Pelayo en stuurt Pelayo zelf als gegijzelde naar het moorse Cordoba. Pelayo ontsnapt evenwel en keert naar Asturië terug. In de bergen aldaar wordt hij door voorname, eveneens gevluchte Wisi-Gothen in 718 tot koning gekozen.

De Arabische heersers die destijds van plan zijn Gallië te plunderen negeren deze opstand aanvankelijk. In 722 sturen ze echter een strafexpeditie van meer dan 25 000 man die door generaal Al-Qama aangevoerd, en door bisschop Oppas begeleid wordt. Pelayo trekt zich met een handvol aanhangers in een grot in de Picos de Europa terug. De eis van bisschop Oppas om zich over te geven wijst Pelayo van de hand. Volgens deze kroniek zou Pelayo geantwoord hebben: “Zo groot is ons vertrouwen in de barmhartigheid van de Heer, dat van deze bescheiden berg (…) de redding van Spanje zal uitgaan en het herstel van het leger van het Gotische volk.” Pelayo slaagt er zelfs in een behoorlijk aantal van zijn belagers te overmeesteren. De rest weet te ontkomen in de bergen, maar ze worden daar op wonderbaarlijke wijze door een steenlawine bedolven of ze verdrinken in een rivier. Generaal Al-Qama wordt gedood, bisschop Oppas gevangen genomen en Munuza uit Asturië verdreven. Pelayo sticht in Cangas de Onis (vlakbij Covadonga) zijn hoofdstad en regeert Asturië tot zijn dood in 737 als een onafhankelijk koning, de eerste uit een lange reeks. Tot zover de Cronica ad Sebastianum.

Aan deze kroniek is wel door hyperkritische historici vanwege haar buitensporige verschil in getalsterkte tussen de Asturische en de moorse strijders, haar spreken over een goddelijke tussenkomst en haar parafrasering van Bijbelse passages over onder meer David en Goliath elke betekenis van een getrouwe weergave van historische gebeurtenissen ontzegd. Zij zou dus net zo’n historische fictie zijn als de zogenaamde aanwezigheid van het graf van de apostel St. Jacob in Santiago de Compostela. Merkwaardig is inderdaad dat de Anonieme mozarabische kroniek uit Toledo (754) met geen woord rept over deze gebeurtenissen in het Noorden. Toch maken latere Arabische kronieken wel melding van Pelayo en zijn ongrijpbare, zij het onbeduidende, guerrillabende in het Cantabrisch gebergte. Mede daarom ga ik uit van het bestaan van een zekere Pelayo en van een overwinning op de moren. Dat deze overwinning het begin vormt van de ‘reconquista’ lijkt me echter onhoudbaar. Ik zal proberen deze stelling nader uiteen te zetten.

Op de eerste plaats bestaat er nog een eenvoudiger versie van deze Kroniek van Alfonso III (Cronica Rotense) waarin de lotgevallen van Pelayo eveneens besproken worden. Deze staat hoogstwaarschijnlijk dichter bij de verloren oertekst. De verschillen in de weergave van de gebeurtenissen rond Covadonga zijn niet bijzonder groot, maar wel opmerkelijk. Vervolgens kennen we nog een Compendium van de universele geschiedenis zoals beschreven door zeer geleerde mannen, de Cronica Abeldense, die teruggaat op een tekst uit 883. Een systematische vergelijking van deze drie kronieken uit Asturië leert ons veel over het ontstaan van de mythe van de ‘reconquista’. Volgens de Cronica Abeldense bevindt Pelayo zich al in Asturië vóór de islamitische invasie. Hij is de eerste vorst in Cangas de Onis en de eerste die opstaat tegen de moren. Volgens de Cronica Rotense heeft Pelayo deel uitgemaakt van de lijfwacht van de Wisi-Gothische koningen Wititza en Rodrigo voordat hij na de islamitische invasie naar Asturië vlucht. Hij sluit zich daar aan bij de Asturen die hem in een vergadering in de bergen tot hun koning uitroepen. Volgens de hierboven samengevatte paragraaf uit de Cronica ad Sebastianum is Pelayo een zoon van een Wisi-Gothische hertog en daarmee van koninklijken bloede, en alleen in deze laatste kroniek (versie) wordt hij in Asturië gekozen door eveneens gevluchte Wisi-Gothische adel. De tegenspraken over Pelayo in deze drie verslagen zijn evident. De oudste zegt niets over een Gotische afkomst, de tweede zwijgt over een voorname afkomst, maar zijn uitverkiezing door een volksvergadering heeft niets Gotisch. Alleen in het laatste verslag komt Pelayo voort uit een koninklijk Wisi-Gothisch geslacht.

Er zijn goede redenen om aan te nemen dat in deze kronieken twee tradities samenkomen. Ten eerste een oudere pre-Gotische traditie, waar Pelayo hoofdman is van de huidige grensregio Cantabrië/Asturië. Ten tweede een meer recente pro-Gotische traditie die pas tijdens de expansieperiode van koning Alfonso III van Asturië en León met terugwerkende kracht wordt ontworpen. Maar is de kwestie of Pelayo van voorname Wisi-Gothische afkomst is en of hij door gevluchte Wisi-Gothische edelen tot koning gekozen wordt nu zo beslissend om al dan niet te kunnen spreken over het begin van de ‘reconquista’ en over de continuïteit van een nationale Spaanse traditie? Het antwoord is ja! Sterker nog: ik wil aantonen dat het berggebied van Asturië en Cantabrië niet tot het Wisi-Gothische Rijk heeft behoord. Maar hiervoor is een omweg via het begin van onze jaartelling nodig. Vandaar dat ik hieronder een schets geef van de late romanisering en christianisering van de nomadische en matriarchale tradities van de Asturen en de Cantabriërs. Deze schets plaats namelijk de legendarische overwinning van Pelayo op een moorse overmacht in 722 in een geheel ander licht.

Een late en gedeeltelijke romanisering

Gedurende de eeuwen dat het Iberische schiereiland een onderdeel van het Romeinse Rijk vormt wordt haar cultuur ingrijpend gewijzigd. De inheemse bevolking maakt zich in meerdere of mindere mate de levenswijze van de Romeinen eigen. Kenmerkend is vooral de expansie van het antieke stadsleven met al haar consequenties: privébezit, slavernij, marktverkeer gekoppeld aan geldeconomie, patriarchale familie, enz. Grofweg kan men stellen dat het zuiden en oosten van Spanje dat veruit de meeste steden telt het vroegst en het sterkst geromaniseerd wordt, terwijl het noorden en westen nog het meest de oude stamculturen bewaart. Vooral de volkeren uit de noordelijke hoogvlakte en uit het bergland ten noorden daarvan hebben zich lange tijd tegen de Romeinen verzet. Maar ook nadat ze teruggedrongen zijn naar het Cantabrisch gebergte en de kuststrook ondernemen ze nog regelmatig strooptochten op Romeins gebied.

Over hun levenswijze worden wij ingelicht door de Geografia van Strabo uit het begin van onze jaartelling. Deze Griekse geleerde in dienst van de Romeinen merkt op dat de Galiciërs, de Asturen, de Cantabriërs en de Basken een gemeenschappelijke levenswijze hebben. Zij eten gewoonlijk geitenvlees; driekwart van het jaar voeden zij zich met brood dat gemaakt wordt van het meel van gedroogde eikels. Zij drinken bier en gebruiken boter in plaats van wijn en olie zoals meer naar het zuiden. Zij eten zittend op banken die tegen de muren staan waarop eenieder volgens zijn leeftijd en zijn rang plaats neemt. De goederen worden in natura geruild of ze gebruiken strookjes zilver waarvan ze plakjes afsnijden. Er worden dierenoffers aan een oorlogsgod gebracht. Moordenaars worden buiten het stamgebied gestenigd. Zij houden worstelwedstrijden en vechten zowel te voet als te paard.

Deze noordelijke volkeren zijn volgens Strabo ruw en ongeciviliseerd. Hij geeft hier het voorbeeld dat de moeders liever hun kinderen doden dan ze in handen van de vijand te laten vallen. De vrouwen bewerken een stukje land en verzamelen vruchten, de mannen zorgen voor het vee. Opmerkelijk is, dat als er een kind gebaard is ook de man de borst krijgt. Vooral bij de Cantabriërs geven de mannen hun vrouwen een bruidsschat en regelen de vrouwen ook het huwelijk van hun broers. Huis en goed worden geërfd van moeder op dochter, de grond is het collectieve bezit van de clan. Strabo kenmerkt deze levenswijze als ‘gynecocratie’ (vrouwenregering) en verklaart deze politieke structuur uit hun isolement. Maar volgens Strabo komt in deze ‘barbaarse situatie’ verandering. Keizer Augustus heeft tijdens zijn veldtocht in het jaar 27 de Cantabriërs, die nog het meest volharden in banditisme en plundertochten, teruggedrongen en keizer Tiberius heeft in die regio drie legioenen gestationeerd. Hun aanwezigheid draagt niet alleen bij tot de pacificatie van dat gebied, maar ook tot de beschaving van haar bevolking. Tot zover Strabo.

In de eerste eeuwen van onze jaartelling verandert er natuurlijk wel het een en ander. In het algemeen kan men stellen dat Galiciërs (mede met het oog op de vele mijnen) sterker geromaniseerd worden dan de Asturen en deze weer sterker dan de Cantabriërs. De Basken ondergaan nog de minste invloeden van de Romeinse cultuur. Zij vormen zelfs het enige volk waarvan de taal niet geromaniseerd wordt. Men kan deze romanisering niet alleen aflezen aan legerkronieken die regelmatig berichten over Galicische en Asturische hulptroepen, maar nauwelijks spreken over Cantabriërs die in het Romeinse leger dienst nemen (let wel: na de lange diensttijd wordt men Romeins burger). Ook zijn talrijke resten van Romeinse villa’s aangetroffen in Noord-Oost Galicië, langs de Romeinse weg van León naar Gijón en in het omringende kustgebied in Asturië. Verder naar het oosten van Asturië en in Cantabrië zijn ze onbekend tot het gebied rond Suances, iets ten westen van Santander, waar de Romeinse weg van Amaya via Juliobriga (nu Reinosa) de kust bereikt. Het aantal latijnse inscripties uit de Romeinse tijd neemt door de bank genomen ook af van Galicië naar Baskenland.

Toch zijn er nog voldoende gedenkstenen gevonden waaruit men een geleidelijke transformatie van inheemse stamstructuren naar een gedeeltelijke romanisering kan volgen. Zo heeft men in de regio rond de rivier de Sella en haar zijriviertjes die noordwaarts naar de kust stroomt en rond de bovenlopen van de rivier de Esla die zuidwaarts in de Duero uitmondt 49 gedenkstenen van de Vadinienzen gevonden. Hoewel de inscripties in het latijn gesteld zijn, geven ze blijk van de vitaliteit van deze Vadinienzen en hun oude stamstructuur. Deze stenen zijn afkomstig uit de eerste vijf eeuwen van onze jaartelling. De meest zijn te vinden in het gebied rond Cangas de Onis, waarin ook Covadonga ligt. Het onderzoek van deze inscripties leidt tot interessante conclusies. De Romeinse invloed is duidelijk af te lezen aan bepaalde begrafenisformules, aan inscripties die de namen van de Romeinse consuls van een bepaald jaar aangeven, enz. Het voortbestaan van de inheemse cultuur blijkt onder meer uit het nog steeds veelvuldig voorkomen van clannamen, uit bepaalde typerende decoraties en uit het af en toe voorkomen van inheemse goden. Dat laatste is deste opmerkelijker omdat het bij deze grafstenen gaat om een tijd (4e en 5e eeuw) waarin in het christendom in het Romeinse rijk al staatsgodsdienst is.

Mede uit de verspreiding van de gedenkstenen blijkt een half nomadische, half agrarische levenswijze. Een bosgebied wordt platgebrand en als landbouwgrond gebruikt. Raakt het vervolgens uitgeput, dan dient het als weidegebied voor de dieren. Inmiddels wordt elders een nieuw gebied platgebrand, enz. Zo trekken clans in de loop der jaren rond binnen een bepaald stamgebied. De binding aan een vaste plaats op een bepaald stuk grond, een voorwaarde voor het Romeinse bestuur, is dus na eeuwen nog nauwelijks tot stand gekomen. Hoe staat het inmiddels met het erven in de vrouwelijke lijn en het collectieve bezit van de clan? Zijn die al vervangen door de Romeinse familie die het privébezit veronderstelt, en dat in de mannelijke lijn doorgegeven? Voor een groot deel wel. Meestal staat namelijk op de gedenkstenen van de Vadinienzen de vadersnaam in de genitivus. Bijvoorbeeld: “M(onumentum) Abionnio Taurino, Doideri f(ilio), Vad(iniensi), annorum XXX. H(ic) s(itus) e(st)”. Opmerkelijk is wel dat de clannaam Taurino nog voor de vadersnaam komt, dat is bij alle gedenkstenen zo. Dit wijst er op dat het behoren tot een bepaalde clan nog belangrijker is dan de rechtstreekse afstamming. In die zin heeft er nog geen romanisering plaatsgehad.

In een aantal gevallen komt men nog resten van een matriarchale traditie tegen. Het gaat dan om gedenkstenen die gewijd zijn aan de oom van de moeder, de avunculus. Deze gevallen wijzen op een erfopvolging die gaat van de broer van de moeder naar de zoon van de zuster. Het bezit blijft dus in de mannelijke hand, maar gaat volgens de vrouwelijke lijn. Meer naar het oosten in het gebied boven Amaya vindt men echter nog zo’n 30 gedenkstenen van een andere stam uit dezelfde tijd. Hiervan zijn er 28 door moeders gewijd aan hun zonen of dochters of door kinderen aan hun moeder, zonder enige verwijzing naar de vader. Bijvoorbeeld: “Aninus filius Dovidenae Caledigae”. Eerst bij latere gedenkstenen wordt een aanvankelijke clannaam tot plaatsnaam: bijvoorbeeld Cornelius, Cesti filius, vicanus (=wonend in het dorp), Aunigainum. Dit wijst er op dat de semi-nomadische levenswijze die met een clanstructuur was verbonden inmiddels vervangen is door een sedentair bestaan. De gemeenschappelijke clannaam is een plaatsnaam geworden, en geleidelijk begint zich een nieuwe sociale differentiatie af te tekenen. Deze analyse van de inscripties geeft aan dat de traditionele levenswijzen van de Asturen en de Cantabriërs slechts zeer langzaam getransformeerd worden door de invloeden die uitgaan van het Romeinse keizerrijk waartoe ook Spanje behoort.

Op gespannen voet met het Wisi-Gothische Spanje

Vooral twee factoren zorgen er nu voor dat het West-Romeinse keizerrijk in Spanje uit elkaar valt. Enerzijds veroorzaken bewegingen van afhankelijke landarbeiders een interne crisis doordat ze tegen het einde van de 4e eeuw in opstand komen tegen grootgrondbezitters die beschermd worden door het Romeinse leger. Anderzijds vallen in 409 Vandalen en Suaven Spanje binnen; op verschillende plaatsen verbinden die zich met de opstandelingen. Beiden worden bestreden door Wisi-Gothen die na hun grote zwerftocht door heel het Romeinse rijk zich als ‘foederati’ in Aquitanië gevestigd hebben. In 507 worden zij daar echter door de Franken onder koning Clovis verdreven en nu veroveren de Wisi-Gothen Spanje voor eigen rekening. Opnieuw hebben zij heel wat te stellen met opstandige halfvrije boeren, horigen en slaven. Van deze situatie maken Asturen, Cantabriërs en Basken gebruik om hun onafhankelijkheid te versterken; zij nemen verschillende versterkte plaatsen ten zuiden van het Cantabrisch gebergte in.

Weliswaar verslaat koning Leovigild tegen het einde van de zesde eeuw een groot aantal Cantabriërs en Basken; zo herovert hij Amaya in 574 en sticht hij in 581 Victoriacum (vlakbij het huidige Vitoria) in het Baskenland. In 585 annexeren de Wisi-Gothen bovendien het koninkrijk van de Suaven (nu Galicië en het noordelijk deel van Portugal). Toch moeten de Wisi-Gothische vorsten in het begin van de zevende eeuw opnieuw strafexpedities sturen tegen de stammen in het Noorden. Maar hun strijd tegen Asturen, Cantabriërs en Basken slaagt maar ten dele. De Wisi-Gothen moeten zich immers steeds opnieuw verdedigen tegen plundertochten. In 653 belegeren de Basken zelfs Zaragoza. Volgens een verslag wordt “het bloede van veel onschuldige christenen vergoten … Ook de heilige altaren worden vernield.” Dit betekent dat de Basken destijds nog niet gechristianiseerd zijn. In 711 is hier nog weinig veranderd, want als Tariq met zijn moorse leger de straat van Gibraltar oversteekt is koning Rodrigo juist bezig de Basken in de regio rond Pamplona te bestrijden.

De regelmatige invallen van Asturen, Cantabriërs en Basken noodzaken de Wisi-Gothen tot het creëren van een permanente verdedigingslinie. De oude romeinse verdedigingslinie tegen de noordelijke stammen met zijn forten in de bergen van het grensgebied (zoals Amaya) worden hersteld en een tweede verdedigingsgordel wordt opgezet in ommuurde steden verder landinwaarts. Deze steden worden met garnizoenen versterkt. Niet alleen de militaire verhoudingen wijzen op een zelfstandigheid van de volkeren in het Noorden ook de concilieacten uit de Wisi-Gothische tijd tonen aan dat noch Asturië, noch Cantabrië, noch Baskenland bisschoppen had; de enige uitzondering op deze regel vormt Pamplona, de oude romeinse stad op de belangrijke handelsweg die Spanje verbindt met Gallië. De dichtstbij zijnde bisschopszetels bevinden zich in versterkte steden zoals Lugo, Astorga, León, Palencia, Oca, Calahorra en Tarazona. In vrijwel dezelfde plaatsen worden Wisi-Gothische munten geslagen. De gebieden ten Noorden van deze verdedigingslinies behielden hun zelfstandigheid. Tegen deze achtergrond moet de stelling begrepen worden dat de vergadering die vermeld staat in de oudste versie van de Kroniek van Alfonso III waar Pelayo in 718 door Asturen tot hun leider gekozen wordt niets van doen heeft met een Wisi-Gothische koningskeuze.

Deze versterkte grenszone met zijn militaire opposities en invallen over en weer is echter tegelijk een zone waar allerlei kontakten plaatsvinden; niet alleen wordt er gehandeld, ook wijzen schriftelijke bronnen op het langzaam binnendringen van een bijzondere missie ten tijde van het Wisi-Gothische rijk van Spanje. De heilige Millan en zijn medestanders, die vanwege hun sterk ascetisch christendom op gespannen voet komen te staan met rijke bisschoppen, ontplooien tal van activiteiten in Asturië en Cantabrië. Opmerkelijk is dat in dit gebied geen Wisi-Gothische kerkjes gevonden zijn. Archeologische onderzoek heeft wel resten van de christelijke eredienst aangetroffen in grotten waar kluizenaars zich gevestigd hebben. Zo kennen we verschillende holenkerkjes uit de periode van de zevende tot de negende eeuw. In de grot van Covadonga zijn diverse liturgische objecten gevonden die nog uit de Wisi-Gothische tijd stammen. De oudste plaatsen waar deze ascetische missionarissen zich vestigen zijn vaak heidense cultusplaatsen. Op deze manier wordt de inheemse religie geleidelijk gekerstend. Covadonga komt van Cova domenica, wat slaat op een oude cultusplaats (de huidige Mariagrot was vroeger waarschijnlijk de grot van een inheemse godin).

Deze complexe geschiedenis overziend kan men stellen dat het feit dat de moorse legers er niet in slagen om de Asturen, de Cantabriërs en de Basken aan hen te onderwerpen past in de traditie van het onafhankelijksstreven van die volkeren. Zij hebben immers eeuwenlang een sociale structuur bewaard die nogal afwijkt van de sociale orde van het Wisi-Gothische rijk met hun steden en hun grootgrondbezit. Kleine en relatief vrije boeren-gemeenschappen zijn hier in de meerderheid en zij hebben dus sterke motieven om hun onafhankelijkheid ook tegen de moslims te verdedigen. En in deze regio die half geromaniseerd, laat gechristianiseerd maar nooit door de Wisi-Gothen beheerst werd zou de Reconquista begonnen moeten zijn die aan de Spaanse natie zijn continuïteit verleent. De overwinning van Pelayo en de zijnen op een overmacht van moorse soldaten staat in de eeuwenoude strijd van Asturen en Cantabriërs voor hun eigen regionale cultuur. Natuurlijk kan men niet uitsluiten dat hun gelederen versterkt werden door gevluchte Wisi-Gothen, vooral uit de grensprovincie. Toch komt de veel geroemde eerste overwinning op de moren in Covadonga primair voort uit de kracht van hun eigen sociale organisatie en de hardnekkigheid van hun tradities (ook de militaire). Een Asturisch document uit 812, waarin gerefereerd wordt aan de ondergang van het Wisi-Gothische rijk en aan de eerste jaren van het Asturische rijk stelt simpelweg dat het rijk der Wisi-Gothen eindigde met Rodrigo en dat Pelayo, beschermd door Christus, verheven werd tot de vorstelijke waardigheid en dat hij met zijn overwinning de christenen en de Asturen verdedigde.

Ontstaan van het koninkrijk Asturië

De overwinning van de Asturische hoofdman Pelayo en de zijnen op een moors invasielegertje in 722 in Covadonga vormt dus niet het begin van de ‘reconquista’ maar moet gezien worden in het verlengde van het eeuwenoude verzet van Asturische en Cantabrische stammen tegen de Romeinse overheersing en ter verdediging van hun zelfstandigheid tegenover het Wisi-Gothische rijk. Dat zich bij dit geslaagde verzet in het grensgebied reeds vanaf het begin of kort daarna ook gevluchte Wisi-Gothische adel aansloot die met hun familie (en clientèle) naar het Cantabrisch gebergte was gevlucht is waarschijnlijk. In ieder geval worden er al spoedig allianties gesloten tussen de opkomende inheemse aristocratie en deze gevluchte adel; zo weten we van het huwelijk tussen Ermisenda, dochter van Pelayo en Alfonso, zoon van de hertog van het Wisi-Gothische Cantabrië (ten zuiden van het huidige Cantabrië). De traditionele clanstructuur van de Asturen was na de sedentarisatie van de half-nomadische stammen al verzwakt; de verbintenissen van de inheemse aristocratie met de Wisi-Gothische adel versterkt een beginnende ‘feodalisering’. Verder weten we weinig van het Asturische rijkje rond Canga de Onis ten tijde van Pelayo. Als deze in 737 sterft wordt hij opgevolgd door zijn zoon Falfila die echter twee jaar later door een beer gedood wordt. Bij diens dood wordt Pelayo’s schoonzoon Alfonso tot opvolger gekozen (een erfopvolging via de vrouwelijke lijn).

Tijdens de regering van Alfonso I van 739 tot 757 krijgt het koninkrijk van Asturië langzaam gestalte. De rebellie van de Berbers tegen Arabieren die in 739 in moors Spanje culmineert heeft tot gevolg dat de Berbergarnizoenen de forten en versterkte plaatsen van de vroegere Wisi-Gothische verdedigingslinie verlaten. Ook de verschrikkelijke droogte die de Duero-vallei van 750 tot 753 teistert biedt Asturië nieuwe politieke mogelijkheden. Binnen 20 jaar organiseert Alfonso I vrijwel continu expedities naar Galicië, de Duero-vallei en de bovenloop van de Ebro. Hij heeft niet de bedoeling dit uitgestrekte gebied te overheersen; daarvoor ontbreekt het hem eenvoudig aan mankracht. Hij breidt alleen zijn gebied uit met Noord-Oost Galicië en verzekert zich van de strategische passen op de verbindingswegen met de noordelijke hoogvlakte en met de bovenloop van de rijke vallei van de Ebro. Verder versterkt hij zijn positie door de forten te slechten, de resten van de moslim- garnizoenen op de vlucht of over de kling te jagen en door zoveel mogelijk buit te verzamelen. Opnieuw zien we dat de eeuwenoude praktijk van Asturen, Cantabriërs en Basken om tijdens interne crises van hun zuiderburen plundertochten te organiseren door Alfonso I wordt voortgezet.

Van groot belang is dat Alfonso tijdens zijn campagnes ook de versterkte plaatsen in de Duero-vallei ontmantelt en het merendeel van de overgebleven christelijke bewoners met zich mee neemt naar zijn rijk. Hierdoor ontstaat enerzijds het zogenaamde “desierto estrategico del Duero”, een dun bevolkt politiek niemandsland dat dient als bufferzone tegen toekomstige aanvallen van moslimlegers. Het wordt echter geen ‘niemandsland’ in absolute zin zoals Sanchez Albornoz ons wil doen geloven (dat blijkt uit archeologische vondsten). De betere kringen (zoals adel en clerus) en hun clientèle worden meegenomen, de bevolking die overblijft verpaupert en verlandelijkt. Anderzijds neemt het inwonertal van zijn rijk daardoor enorm toe. Dit legt niet alleen een demografische basis voor de latere expansie, maar betekent ook dat binnen het traditionele Asturië en Cantabrië zich grote groepen vestigen die gewend zijn aan de sociale en bestuurlijke strukturen van de Wisi-Gothen en die enige tijd de moorse overheersing gekend hebben. Deze bevolkingstoename maakt het voor Alfonso I mogelijk zijn rijk uit te breiden in noordelijke streken zoals met de vallei van Liébana, de streek onder Santander, het westen van Viscaya en het gebied rond de bovenloop van de Ebro (de nauwe kontakten van zijn familie met dit deel van Wisi-Gothisch Cantabrië zullen hieraan wel niet vreemd zijn). Als Alfonso I in 757 sterft is dus niet alleen de basis gelegd voor het koninkrijk van Asturië maar is ook een basis gelegd voor een langzaam groeiende invloed van Wisi-Gothische tradities.

Als Fruela I koning wordt ziet de situatie voor zijn regering er anders uit als voor zijn vader. Op de eerste plaats wordt Andalusië nu geregeerd door de Omayadenprins Abdal Rahman I die zijn centrale gezag weet te versterken, waardoor er meer stabiliteit komt in de moorse politiek. Anderzijds omvat zijn koninkrijk behalve haar Asturisch-Cantabrische kerngebied nu twee regio’s, Noord-Oost Galicië en westelijk Baskenland, die niet alleen een totaal verschillende sociale struktuur bezitten maar ook grote culturele en etnische verschillen kennen. Galicië heeft deel uitgemaakt van het Wisi-Gothische rijk en kent enige urbanisatie, ook moet hier rekening gehouden worden met het machtige grootgrondbezit en met een kerkelijke hiërarchie. Baskenland heeft zich daarentegen tijdens de periode van het Wisi-Gothische rijk voortdurend apart gehouden, heeft veel van haar oude sociale strukturen behouden en haar godsdienst is, zeker in afgelegen streken, nog sterk verworteld in het traditionele heidendom.

Het is dus niet verwonderlijk als wij horen dat Fruela I zijn centraal gezag moet verdedigen tegen zowel opstandige Galiciërs als opstandige Basken. Waarschijnlijk probeert hij met aristocratische Baskische kringen tot een akkoord te komen; dat zou tenminste zijn huwelijk met de alavese Munia verklaren (Alavo = een van de huidige drie Baskische provincies). Ook Abd al-Rahman I probeert op zijn beurt gebruik te maken van de crises in het Asturische rijk; we lezen immers van een moorse strafexpeditie die 766 tot in Alava doordringt en van een overwinning van Fruela op moslimtroepen in Galicië. Na deze overwinning breidt Fruela zijn rijk in Galicië uit tot de rivier de Minho. Fruela probeert de koninklijke macht te versterken door het autonomiestreven van de opkomende adel en de kerkelijke hiërarchie te kortwieken; hij herstelde bijv. de kerkelijke discipline door het huwen van bisschoppen en priesters te verbieden. Hij laat ook zijn broer Vimara vermoorden die de troon zou ambiëren. Echter in 768 wordt hij zelf vermoord door zijn vroegere bondgenoten; onduidelijk is of dit een wraakactie is van de familie van Alfonso.

Fruela wordt in 768 opgevolgd door zijn neef Aurelio, die slechts korte tijd regeert. Ook hij komt voor nieuwe problemen te staan want hij krijgt te maken met een grote slavenopstand die hij slechts met moeite weet te bedwingen. Dit gegeven wijst erop dat het eertijds gemeenschappelijke grondbezit door de clans of de bewerking van hun eigen grond door vrije boeren in deze achtste eeuw wordt vervangen door de persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen van het grootgrondbezit. Na de dood van Aurelio in 774 wordt deze opgevolgd door een zekere Silo die gehuwd is met Adosinda (dochter van Ermisenda en Alfonso I) en die tot de inheemse aristocratie behoord. Deze vorst krijgt aanvankelijk te maken met een rebellie van Galiciërs in de streek rond Lugo. Later verplaatst hij de hoofdstad van Cangas de Onis in het ruige Cantabrische berggebied naar het heuvelachtige Pravia; dat wijst erop dat de koning zich thans veilig genoeg voelt om zijn regeringscentrum dichter bij het belangrijke westen te vestigen. De verhoudingen van Asturië met het emiraat van Cordoba worden tijdens de regeerperiode van Aurelio èn Silo gekenmerkt door een vreedzame coëxistentie. Overigens moet hierbij vermeld worden dat ook Abd al-Rahman meer aandacht moet schenken aan de moeilijk te controleren Arabische aristocratie in de Spaanse Levant en aan de expeditie van Karel de Grote naar Zaragoza in 778.

Consolidatie van het koninkrijk Asturië

Na de dood van Silo in 783 weet koningin Adosinda, die aan het hoofd staat van een hechte aristocratische groep, ervoor te zorgen dat de jonge Alfonso, zoon van Fruela en de Baskische Munia, op de troon komt. Maar een sterke oppositie aangevoerd door Mauregato, een bastaardzoon van Alfonso I, weet de macht te veroveren. De jonge Alfonso (de latere Alfonso II) moet vluchten naar verwanten van zijn moeder in Alava, terwijl koningin Adosinda in 785 moet intreden in het klooster San Juan de Pravia. De continuïteit van de interne problemen in Andalusië voorkomt dat Mauregato te maken krijgt met confrontaties aan de grenzen. Mauregato wordt in 789 door Bermudo I opgevolgd, die het hoofd moet bieden aan de militaire expedities van de nieuwe emir Hisham I van Cordoba tegen Galicië en Alava. In Galicië lijdt Bermudo I een grote nederlaag; een heftige oppositie van machtige Asturische kringen steekt nu de kop op. Bermudo doet daarop in 792 afstand van de troon en trekt zich terug in een klooster. Hierdoor komt de troon opnieuw terecht bij Alfonso II. Kort daarop slaagt een moslimleger er zelfs in tweemaal Asturië binnen te dringen tot aan de nieuwe hoofdstad Oviedo. De troepen van Alfonso worden wel teruggeslagen, maar niet onder de voet gelopen.

Vanaf 796 beperken de emirs van Cordoba zich tot regelmatige expedities tegen de beide buitengewesten. Hun militaire strategie is niet primair gericht op plundertochten maar voornamelijk bedoeld om te verhinderen dat er één front ontstaat tussen het rijk van de Asturen, de rebellerende Basken en de Karolingers. Zo beogen ook de latere militaire expedities van Abdal Rahman II tegen Galicië (839-840-841) allereerst het verhinderen van een coalitie tussen de Asturen en opstandige mozaraben (christenen onder moors bewind) en muwaladden (nakomelingen van inheemse families die zich tot de islam bekeerd hebben) in Merida en Toledo. Al met al is het resultaat van deze invallen en schermutselingen over en weer dat Asturië haar rijk consolideert en versterkt. Niet alleen blijkt ze in staat haar grenzen effectief te verdedigen, ook is ze erin geslaagd haar invloed op Galicië, op het gebied rond Astorga en León en op Noord-Castilië te vergroten. In deze gebieden wordt een begin gemaakt met een programma van herbevolking vanuit de berggebieden in het noorden en later ook door mozarabische migranten aan te trekken uit Andalusië.

Na een ernstige interne crisis, waarbij Alfonso II zelfs voor enkele jaren zijn paleis moet verruilen voor een klooster, begint hij na 809 aan een omvangrijke reorganisatie van zijn koninkrijk om de centrale macht van de vorst te vergroten. Theologische geschillen rond het ‘adoptionisme’ (zie: de geschiedenis van de mozaraben) worden aangegrepen om de contacten met het aartsbisdom van Toledo te verbreken. Maar tegelijkertijd worden Karolingische pretenties ten aanzien van het Asturische rijk tegengewerkt. Alfonso voert een kerkelijke reorganisatie door waarbij hij voor een deel teruggaat op de vroegere Wisi-Gothische kerkorde. Niet alleen wordt Oviedo bisschopsstad, ook wordt daar een Concilie gehouden om de kerkelijke discipline in het koninkrijk van Asturië te bevorderen.

Bij dit alles speelt de ‘ontdekking’ in ± 825 van het graf van de apostel Jacob (de meerdere) door de bisschop van Iria, Teodomiro, een grote rol. Sint Jacob (Santiago) wordt door de koning officieel tot patroon van zijn rijk en beschermer van haar vorst uitgeroepen. Op het graf van Santiago laat de koning een kerk bouwen en Compostela wordt door Alfonso II (en ook door latere koningen) met belangrijke schenkingen begunstigd. De bisschop van Iria en Santiago de Compostela, wordt op den duur de grootste grootgrondbezitter in Galicië. De verering van dit apostelgraf vergroot door de veelvuldige regionale bedevaarten niet alleen de cohesie onder de gelovigen van zijn rijk; doordat de koning zich bij bisschopsbenoemingen een bindend voordrachtsrecht aanmeet verzekert hij zich ook van een betrouwbaar tegenwicht tegen de naar autonomie strevende adellijke grootgrondbezitters in Galicië. Niet voor niets heeft Santiago de Compostela van die groep nauwelijks schenkingen ontvangen. Ook in Oviedo gaat Alfonso met grote voortvarendheid te werk; een nieuw koninklijk paleis met kapel in laatromeinse stijl moet het aanzien van de vorst vergroten. Ook worden elementen uit het vroegere Wisi-Gothische hofceremonieel en de koningszalving ingevoerd. De heropleving van Wisi-Gothische tradities benadrukt het autonome karakter van het Asturische rijk tegenover het hegemonie-streven van de Karolingers.

De expansie van Asturië

De dood van Alfonso II in 842, die geen kinderen achterlaat, veroorzaakt een interne crisis in het koninkrijk Asturië. Hoewel de groep van adellijke getrouwen rondom Alfonso El Casto (de kuise) zijn opvolging voorbereid had in de persoon van Ramiro I; is deze op dat moment in Castilië om er voor de tweede keer te huwen. Het vacuüm in Oviedo wordt dan ook gebruikt door de machtige Nepociano, die met een zuster van Alfonso II was getrouwd (weer die invloed van de vrouwelijke lijn) en die ook kon rekenen op de steun van Cantabriërs en Basken. Ramiro, zoon van Bermudo, weet echter een leger in Galicië verzamelen en verslaat Nepociano. Ramiro had waarschijnlijk grote steun van de partij van Galicische adellijke grootgrondbezitters want van hem kennen we geen schenkingen aan hun tegenspeler de Bisschop van Iria en Santiago de Compostela. Zijn relaties met de Abdal Rahman II van Cordoba zijn in het algemeen vreedzaam; hetgeen ook bevorderlijk is voor het handelsverkeer tussen beide rijken. Deze gunstige omstandigheid brengt Ramiro ertoe tot herbevolking over te gaan van de strategisch belangrijke plaats León. Maar deze poging blijkt prematuur; de troepen van Cordoba vallen de stad in 846 aan en steken haar in brand. Ramiro I zet ook de versterking van de koninklijke macht van Alfonso II voort. De Kroniek van Abelda geeft hem de bijnaam ‘verga iustitiae’ en hij staat bekent om het hardhandige onderdrukken van banditisme en van magische praktijken. Zijn goed bewaarde bouwwerken rond Oviedo zijn een prachtig voorbeeld van koninklijke rijkdom en grootse esthetische visie.

Vanaf Ramiro’s koningschap verloopt de troonopvolging in Asturië (en Léon) steeds van vader op zoon. De grote territoriale expansie, die onder Ordoño I begint, is deels het gevolg van de voortdurende rebellie van muwaladden en mozaraben tegen het centrale gezag in het Emiraat van Cordova. Ordoño I probeert met deze opstandelingen samen te werken. Hij slaagt erin oude steden zoals Tuy, Astorga en León weer te bevolken en hij ontwikkelt een machtig netwerk van tussenliggende kastelen. Dit systeem moet de verdere bevolking van het gebied ten noorden van de rivier de Duero ondersteunen. In 866 sterft Ordoño en zijn zoon komt op de troon. Deze Alfonso III wordt de Grote genoemd omdat zijn regeringsperiode het hoogtepunt van het koninkrijk Asturië markeert. Zijn rijk wordt namelijk een machtsfactor van de eerste orde op het Iberisch schiereiland. Ook Alfonso III maakt handig gebruik van de opstanden van muwaladden en mozaraben in enkele grote steden van Andalusië, met name om de bevolkingspolitiek in Noord-Portugal voort te zetten. De pogingen van het emiraat van Cordoba om deze expansie te stoppen blijken vruchteloos omdat Alfonso zich verbindt met rebellerende muwaladden in Merida en in de Ebro-vallei. Als eindelijk emir Mohammed I in 879 een grote legermacht naar León stuurt, het nieuwe hart van het Asturische rijk, behaalt Alfonso III een complete overwinning. In 881 doet zijn leger zelfs in inval in het moorse al-Andalus tot voorbij de Taag en keert hij met rijke buit terug. Alfonso III zet nu zijn expansie in Castilië voort; in 882 wordt Burgos gesticht. Eind 883 ziet de emir van Cordoba zich voor het eerst genoodzaakt om een Asturische koning om vredesonderhandelingen te vragen.

Alfonso III zet zijn herbevolkingspolitiek voort tot aan de strategische linie van de Duero; de noordelijke meseta wordt nu beheerst door een netwerk van versterkte plaatsen en kastelen met name om de oostelijke grensstreken te beschermen tegen verdere invallen van de moslims. Zo ontstaat Castilië als het oostelijke bolwerk van het koninkrijk van Asturië en León. De periode rond 900 is een van de meest kritische tijdens de moorse overheersing van Spanje. De gewapende opstanden onder muwaladden en de mozaraben vormen een grote bedreiging voor de Omayaden-dynastie en dreigen deze zelfs te vernietigen. De afstammelingen van tot de islam bekeerde christenen zijn er in een eeuw islamitische heerschappij achter gekomen dat ze niet de vrijheid en gelijkheid krijgen waarop zij volgens de islam recht hebben. Ondanks hun geloofsbetuiging worden ze door de Arabische aristocratie gewantrouwd en geminacht. Ze maken weinig kans op belangrijke posities in staat of maatschappij.

Uit de deelname van mozaraben aan deze opstanden blijkt bovendien dat regionale en sociale tegenstellingen belangrijker zijn dan religieuze. Uit woede over hun ondergeschikte maatschappelijke positie keren zij zich tegen hun arabische meesters in Cordoba en door hun toedoen blijft al-Andalus vijftig jaar lang onrustig. Het verzet groeit niet alleen onder de muwaladden en mozaraben in de grensstreken, maar ook in het kerngebied van al-Andalus. We hebben gezien dat de Asturische vorsten de opstandelingen proberen te helpen. Zo ondersteunt Alfonso III Ibn Marwan, een muwalad van Galicische afkomst, die er in slaagt Badajoz te veroveren en die de troepen die Córdoba op hem afstuurt geruime tijd weet te weerstaan. De successen van Alfonso III laten vele christenen geloven dat de dagen van de moslim-heerschappij in Spanje zijn geteld. In die tijd circuleert onder de mozaraben een profetie, waarin op basis van een tendentieuze interpretatie van passages uit Ezechiël, voorspeld wordt dat de moslims binnen een jaar het schiereiland moeten verlaten en het vroegere Wisi-Gothische van Toledo rijk door Alfonso III hersteld wordt.

De langdurigste en gevaarlijkste bedreiging voor het regime van de Omayaden komt echter uit het zuidelijkste deel van al-Andalus, de huidige provincie Málaga. Vanuit zijn veilige vesting in Bobastro in de bergen bij Ronda voert Omar Ibn Hafsun, een muwalad en afstammeling van een Wisi-Gotische graaf, een guerilla-oorlog tegen de centrale regering en vernietigt deze bijna. Hij beheerst de hele streek van Algeciras tot Murcia en wordt gesteund door grote groepen muwaladden en mozaraben. Rond 898 gaat hij echter over tot het christendom, een moedige en onvertoonde stap. Daarmee onderstreept hij ook zijn fundamentele verzet tegen de Omayaden en wat zij vertegenwoordigen. Het effect van deze bekering op de opstand is moeilijk vast te stellen. Zijn invloed begint daarna echter te tanen en het lijkt erop, dat zijn bekering verwarring en onenigheid heeft gezaaid bij de rebellen. Ofschoon Ibn Hafsun in 904 wordt verslagen duurt het nog 15 jaar voordat de opstand, die nu door zijn zonen geleid wordt, kan worden bedwongen.

Alfonso III gaat ondertussen verder met het opnieuw bevolken van de vallei van de Duero: Zamora, Toro, Simancas en andere plaatsen. Vele mozaraben vluchten uit het door opstanden en burgeroorlog geteisterde al-Andalus en vestigen zich in de nieuwe steden zoals Zamora en bij versterkte plaatsen van het christelijke koninkrijk. De mozaraben stichten ook bekende kloosters zoals die van Sahagún, San Pedro de Cardeña, San Miguel de Escalada en San Sebastian de Silos, later herdoopt tot Santo Domingo de Silos. De migratie van mozaraben uit al-Andalus krijgt nu de overhand op de trek van het Cantabrisch bergland naar dit gebied. In 907 slaagt Alfonso er zelfs in met een militaire expeditie tot in het moorse Toledo door te dringen; dat zich tegen een zware schatting vrij koopt. In deze laatste jaren van zijn regering moet ook zijn gebruik van de titel ‘imperator’ geplaatst worden. Alfonso bouwt ook een nieuwe basiliek voor de apostolische bisschopszetel van Santiago de Compostela en de mozarabische invloed blijkt onder meer uit de architectuurstijl van een aantal kerken die tijdens zijn regering gebouwd worden.

Ondanks deze gigantische krachtsontplooiing eindigt zijn regering in een drama. De macht van de adel is als gevolg van de territoriale expansie enorm toegenomen, althans in Galicië, Noord-Portugal en het westen van de regio León. Daarentegen vormt in Castilië het grote aantal kleine vrije grondbezitters een machtig tegenwicht ten opzichte van de adel en de kerk. Dit bevordert de centrifugale krachten in het rijk van Asturië en Léon. Tegen deze achtergrond moet de opdeling van het rijk na Alfonso’s dood onder zijn drie zonen begrepen worden. Er ontstaan drie nieuwe rijkjes: Asturië, Galicië en León-Castilië, waarvan de heersende kringen elkaar vaker naar het leven staan dan dat ze elkaar bijstaan om Alfonso’s programma van de ‘reconquista’ te realiseren.

Conclusies

Uit de bovenstaande schets van de geschiedenis van het Asturische rijk kan men de volgende conclusies trekken. Voordat de Asturische koningen elkaar ongehinderd patrilineair opvolgen, spelen koningsdochters een grote rol bij het verwerven van de troon door hun echtgenoot tijdens de machtsstrijd na de dood van een koning. Dit vormt de laatste fase van de overgang van een matriarchaal erfsysteem van de stammen der Asturen en Cantabriërs naar een patriarchaal erfsysteem in het Asturisch-Leonese rijk. Ook is het opmerkelijk dat ondanks de vele invallen, plundertochten en veldslagen over en weer het Asturische rijk tijdens zijn expansie tot de Duero-rivier geen enkele grote plaats of stad op de moslims herovert; de Asturen bezetten ’slechts’ het strategische, maar dun bevolkte ‘niemandsland’. Men kan dus wel spreken van een Asturische expansie, maar niet van een verovering op de moren.

De belangrijkste conclusie is echter dat pas met de expansie van Asturië tegen 900 en de (her)bevolking van de Duero-vallei het politieke en militaire programma ontstaat van een verovering van heel Spanje op de moren. Deze verovering wordt gelegitimeerd door haar voor te stellen als een herovering (reconquista). De mythe van een continuïteit tussen het Wisi-Gothische Spanje en het Asturische rijk wordt nu in de kronieken van Alfonso III met terugwerkende kracht gefundeerd. In de laatste versie van de Kroniek van Alfonso III wordt Pelayo plots een zoon van een Wisi-Gothische hertog en wordt hij in de bergen door gevluchte Wisi-Gothische adel tot koning gekozen. Hier vormt het ontwerp van een continuïteit tussen de Wisi-Gothische en de Asturische vorsten achteraf het fundament van de mythe van de ‘reconquista’.

© Harrie Teunissen, Leiden 1999.